VAN ROMANTIEK en zo meer...

Een blog over een stijlperiode die een zeer aanwezig stempel drukte

op de Belle Epoque en het interbellum.  

Deel 1, gepubliceerd op xxxdag 00 april 2026

 

Ik had aan 't eind van blog 4 wel verkondigd dat het volgende zou gaan over uitgever & notoir dwarsligger Adolf Brand, maar er de afgelopen week over peinzende, besloot ik dat die nog maar even moest wachten. Immers, zo was mijn redenatie: vrijwel de gehele periode die ik met mijn Elisarion-Boysblog zeg te bestrijken wortelt in de romantiek of hoog-romantiek en wat weten mijn volgers daar eigenlijk van? Denken ze aan iets als 'rumbonen, rozen en rode wijn,' een zigeunerstrijkje, en een leuk juffertje of lekker ventje op hun knie,' als ik er hier over begin? Ik had dan wel op het openingsblog een inleidend tekstje geschreven, maar wat voor algemeen beeld heb jij als mijn volger eigenlijk van die 2e helft van de negentiende eeuw?   

Met hink-stap-sprongen door een kunststroming!

 

De periode die in het algemeen tot De Romantiek wordt gerekend, werd als spirituele gedachte, aanvankelijk als Sturm und Drang,[i] in de laatste decennia van de achttiende eeuw steeds duidelijker waarneembaar. Zij zou tot ver in de daarop volgende eeuw op de wereld der scheppende kunsten een enorme invloed uitoefenen. Intellectuelen en kunstenaars in met name Frankrijk, Duitsland en Engeland namen geleidelijk aan afstand tot de koel-verstandelijke en wetenschappelijke benadering die De Verlichting[ii] met zich had meegebracht. Het zoeken naar de zin van het bestaan en de opkomende twijfel aan een toekomstperspectief, zoals vormgegeven in de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd en de Franse revolutie, bracht een vlucht op gang uit het heden. Een vlucht in een droomwereld waar emotionaliteit in al haar facetten kon opbloeien. Een vlucht ook in een geïdealiseerd verleden, in religie, in occultisme, en raadselachtige sprookjes. In de mystiek van het leven en in een verheerlijking van de natuur. Hoewel de lagere maatschappelijke regionen er bepaald een rol in vervulden, behoorde de Romantiek, net zoals de Verlichting dat eerder was geweest, uitsluitend filosofisch gedachtegoed van de hogere kringen en de aristocratie. Zo vroeg de Franse schrijver en filosoof Rousseau[iii] zich af of de mens, door de Verlichting met haar opvoedkundige verbetering en verheffing, wel zoveel gelukkiger was geworden. Werd die mens juist niet door de samenleving bedorven en in een strak keurslijf geperst? Hij stelde de onontwikkelde primitieve culturen boven de West-Europese beschaving. In zijn opvoedkundig geschrift Emile ou De l’éducation[iv] schreef hij dat het kind zijn natuurlijke neigingen vrijelijk moest kunnen ontwikkelen voor er onderwijs aan te pas kwam. Het begrip ‘natuur’ of ‘natuurlijk,’ in samenhang met het bewust ervaren van de eigen emotie, werd langzaam maar zeker in alle kunststromingen waarneembaar. De werkelijkheid werd tot in het perverse voorgegeven, en het ‘ervaren’ zou met ‘een verlangen naar het onbereikbare’ hét centrale thema van de romantiek worden. Van Goethe’s Die Leiden des jungen Werthers[v] tot Keats’ La belle dame sans merci, geraakte de poëzie en proza bezwangerd van typisch romantische motieven als ‘de onbereikbare liefde,’ of het ‘door een raadselachtige verlokking de dood tegemoet treden.’

 

 

La belle dame sans merci (fragment).

 

(…) 'I met a lady in the meads,
Full beautiful - a faery's child,
Her hair was long, her foot was light,
And her eyes were wild.

(…) 'She took me to her elfin grot,
And there she wept and sigh'd fill sore;
And there I shut her wild, wild eyes
With kisses four.
'And there she lullèd me asleep,
And there I dream'd - Ah! woe betide!
The latest dream I ever dream'd
On the cold hill's side.

'I saw pale kings and princes too,
Pale warriors, death-pale were they all;
They cried - "La belle Dame sans Merci
Hath thee in thrall!"

                                        
John Keats, 1820

 

In navolging van hun literaire collega’s raakten ook veel beeldende kunstenaars en musici in de ban van de romantiek. Werd tot ver in de achttiende eeuw beeldende kunst in de eerste plaats gezien als een verfijnde afspiegeling van de al dan niet religieuze werkelijkheid, zeker niet in de eerste plaats bedoeld als expressiemiddel van de kunstenaar, de nieuwe stroming bracht daar geleidelijk aan verandering in. Geestverwanten zoals de schilders Goya,[vi] Friedrich[vii] en Fuseli[viii] kozen er voor om al rebellerend tegen de gevestigde mening in te gaan.[ix] Friedrich, door in zijn schilderij het Tetchener Altar, het publiek te confronteren met een dermate fascinerend en overweldigend landschap, dat het daarin aanwezige kruisbeeld slechts van ondergeschikte betekenis leek. Goya en Fuseli door een wel haast ziekelijke voorkeur voor het meest demonische, monsterlijke en raadselachtige tafereel. In de eerste decennia van de negentiende eeuw, ontstond in de Europese schilderkunst een stroming die met een hartstochtelijke gedrevenheid, zonder enig mededogen, de toeschouwer met welbehagen een uitvergrootte werkelijkheid voorschotelde.

 

 

Géricault’s[i] Le radeau de la Méduse, Delacroix’s[ii] Barque du Dante en Turner’s[iii] The slaveship, toonden het inferno op een dermate schokkende wijze als voorheen absoluut ondenkbaar werd beschouwd, en die bij de gevestigde orde veel weerstand opriep. Die rijkdom aan expressie en sterk aangezette contrasten, zo kenmerkend voor de romantische schilderkunst,  klonk, weliswaar iets later, ook door in de opera’s van Wagner. Met Der Fliegende Holländer en Tannhäuser als representatieve voorbeelden. De sterk literaire verbondenheid van de negentiende-eeuwse muziek, uitte zich bijvoorbeeld in het instrumentale werk van Debussy,[iv] of in de liederen van Schubert, Schumann en Brahms.[v] Het eenvoudige ‘volkslied-achtige’ karakter van Schuberts melodieën refereerde daarbij aan nationale gevoelens, een kenmerk van de muzikale romantiek dat zich vooral in Duitsland openbaarde, waar de volksmuziek werd geprezen als een spontane uiting van de Duitse geest. Terwijl de verheerlijking van de natuur bijvoorbeeld hoorbaar werd in symbiose met het nationalisme, in Smetana’s symfonische cyclus Ma Vlast.[vi] Deze typisch romantische kenmerken gingen grotendeels aan Nederland  voorbij. Bij ons geen van het schilderslinnen afspattend gruwelijk menselijk lijden; geen wanen of angstvisioenen.[vii] De romantische schilderkunst in ons land bleef gespeend van al te heftige emoties, en moest het vooral hebben van ongerepte landschappen en stadsgezichten. Het sentiment en de dramatiek, zo geliefd bij onze buurlanden, was de nuchtere Hollanders veel te pathetisch. Onze vaderlandse schilders grepen liever terug op hun zeventiende-eeuwse voorgangers; op hun collega’s uit de gouden eeuw. Het glorierijke verleden en de heldendaden van de prinsen van Oranje, werden een geliefd onderwerp voor menig theatraal historiestuk.[i] Die sterke voorkeur voor het nationale element kwam ook tot uiting in de zo typisch Nederlandse ijsgezichten van Schelfhout. Zijn idyllisch-landelijke taferelen van genoeglijk schaatsende mensen op een bevroren vaart, met zo hier of daar een molen of boerderij, toonden  een andere uitvergrootte werkelijkheid: die van de idealisering van het bestaan… Dat laatste gold trouwens ook voor zijn eveneens gevierde collega Koekkoek,[ii] die als landschapsschilder bij uitstek, zijn glorieuze woudreuzen van een meer dan volmaakt bladerdak voorzag. Het landschap werd tot een sprookjesachtig tafereel verromantiseerd, waarin quasi-onverwacht een ruisend beekje opdook en de nietigheid van de figuranten de overweldigende natuur en de grootsheid van de schepper nog eens accentueerde. De romantische schilderkunst in ons land was van een technische verfijning, en bovenal van een poëtische weergave van de landelijke natuur. Soms was van het laatste ook wel iets terug te vinden bij een van onze vaderlandse componisten. Zo zou Viotta[iii] vooral herinnerd worden als de schep- per van de oer-vaderlandse liederen Twee Voerlui[iv] en De Zilvervloot, en was het later Röntgen,[v] die bewerkingen maakte van tientallen oud-Hollandse volksliedjes. Binnen alle kunstdisciplines stonden de vaderlandse dichters waarschijnlijk nog het dichtst bij de meer extraverte buitenlandse collegae. Rond 1830 vormden Nicolaas Beets, Jan Kneppelhout, Johannes Hasebroek en Bernard Gewin in Leiden een Romantische Club, waar met veel passie werk van Lord Byron en Thomas Moore werd voorgelezen. Het eigen werk van de heren uit die periode droop van de romantiek. Kneppelhout kwam met kerkhofdromen en droevige kasteelverhalen, en in het middeleeuwse drama Guy de Vlaming dreef een incestueuze verhouding Beets’ hoofdpersoon tot waanzin.[vi] Ja, zelfs hun al wat oudere collega, de dichter Staring[vii] liet zich bij hóge uitzondering tot een mystiek thema verleiden:

 

Het Verschijnsel (fragment).

 

(…) En 's middernachts, wordt voor den slaper 't stormgerucht

Grafstil. Doch nu ... wat komt - staag nader! - Zucht op zucht

Komt hartdoorsnijdend uit den zwarten muur gevaren,

Waaraan het lamplicht blaauwt. Als fluistering van blaaren,

Door herfstwind saamgejaagd, is 't ridslen in den wand.

Hij loert er angstig heen, en eene ontvleeschde hand

Breekt uit den steen, en wenkt, met opgestoken vinger.

 

Zeker, er zijn vele nog betere voorbeelden te geven om de Romantiek als kunststroming te beschrijven; en er een definitie van te geven. In combinatie met de turbulente maatschappelijke ontwikkelingen, lopend van de Franse revolutie naar industrialisatie en urbanisatie, beslaat ze een periode waarover bijzonder veel is gepubliceerd. Om de komende hoofdstukken te kunnen volgen, volstaat een globale schets. Laten wij ons daarom met deze kennis in ons achterhoofd focussen op de romantische theaterdans.  

 

[i]    De schilder J.W. Pieneman (1779-1853) vereeuwigde de latere koning Willem II (Willem

     Frederik George Lodewijk van Oranje-Nassau) op heroïsche wijze als de held van Water-

      loo (schilderij De slag bij Waterloo), en zijn vader Willem Frederik van Oranje-Nassau als

      de nieuwe koning Willem I op het schilderij Aanvaarding Hoog Bewind.

[ii]    Barend Cornelis Koekkoek, º1803 - †1881. Befaamd Ned. schilder. Als ‘prins der schil-

     ders’  bekend om zijn romantische landschappen.

[iii]   Joannes Josephus Viotta, º 1814 - † 1859.  Nederlands arts-musicus. Vooraanstaande

     figuur in A’damse muziekwereld, die zich onvermoeibaar inzette als promotor voor de 19e

     eeuwse romantische componisten als Berlioz, Wagner en Schumann.

[iv]   Bekend als Een karretje op een zandweg reed, op een tekst van Dr. J.P. Heije.           

[v]    Julius Röntgen, º1855 - †1932. Duits-Nederlands componist, die vanaf 1877 in ons land

     woonde, en wordt gerekend tot de Duits-romantische school. Publiceerde in 1897 de

     bundels I t/m IV van Oud-Hollandse volksliedjes en contradansen in een bewerking

     voor viool en pianobegeleiding. 

[vi]   Nederlandse literatuur in de romantiek, 1820-1880, Marita Mathijsen. Pag. 26-29.

[vii]   Anthoni Christiaan Winand Staring (van den Wildenborch), º1767- †1840. Dichter uit de

     Achterhoek, die in zijn werk blijk gaf van zowel verlichte als romantische invloeden.  

 

[i]    Théodore Géricault, º 1791 - † 1824. Frans schilder uit de romantische school. Toonde in

     zijn werk bij voorkeur een heftig psychologisch conflict of een gruwelijk menselijk lijden.

[ii]    Ferdinand Victor Eugène Delacroix, º 1798 - † 1863. Gezien als de belangrijkste Franse

     schilder uit de romantische school.

[iii]   Joseph Mallord William Turner, º 1775 - † 1851. Engelse romantische schilder van met

     name landschappen en zeegezichten. Gezien als de ‘ schilder van het licht’  en als een

     vroege voorloper van het impressionisme. 

[iv]   De z.g. Programmusik, of programmatische muziek, waarbij de muziek een verhaal vertelt,

     of iets uitbeeldt uit literatuur, natuur of geschiedenis.

[v]    Schubert gebruikte daarvoor o.a. teksten van Goethe en Muller; Schumann van Heine en

     von Chamisso en Brahms putte behalve uit het oeuvre van Heine nogal eens uit de bijbel.

[vi]    BedÅ™ich Smetana, º1824 - †1884. Boheems componist die bijzonder geliefd vanwege zijn

     patriottische opera’s. Werkte na 1874 5 jaar aan de 6-delige symf. cyclus Ma Vlast (Mijn

     Vaderland), met Vltava (de Moldau) als bekend 2e deel. Ma Vlast  is een typisch voorbeeld

     van uitstekend geslaagde programmatische muziek.

[vii]   Incidentele uitzonderingen zijn de onbekend gebleven tekeningen en aquarellen David

     Humbert de Superville, en het schilderij Eleonore - De doden rijden snel, van Ary Scheffer.

     Bron: Het Romantiek Boek, pag. 79 en 171.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[i]    Een stroming in de literaire en muzikale wereld van het begin van de zeventigerjaren van

     de 18e eeuw, waarbij de persoonlijke emotie heftig aan het daglicht trad, en de betref-

     fende kunstenaar de heersende moraal (van de Verlichting) aan zijn laars lapte. Typische

     voorbeelden vanuit de literaire hoek zijn: Goethe (Ich  kenne nichts Ärmeres unter der

      Sonne als euch, Götter! [uit Prometheus]) en Schiller. De compositorische uiting van de

      nieuwe ‘Drang’ kenmerkte zich door grilligheid in modulatie, dynamische contrasten en

     klankkleur. Representanten waren C.Ph.E. Bach, Haydn en Mozart (Zauberflöte).     

[ii]    Een politiek-filosofische stroming die ontstond als reactie op het onvoorwaardelijke geloof

     in de wereldse en kerkelijke autoriteiten (ca. 1650 tot het eind v.d. 18e eeuw). Aanhan-

     gers waren van mening dat, i.p.v. slaafs een uitspraak van clerus of vorst voor waar aan

te nemen, de waarheid met het verstand beredeneerd kon worden. Daar dit vaak als ge- zagsondermijning werd gezien, belandden veel adepten in de cel of moesten vluchten.

[iii]   Jean-Jacques Rousseau º 1712 - † 1762. Zowel een Verlicht als (later) -Sturm und Drang-

     en Romantisch filosoof. Zijn idee dat het individu ondergeschikt is aan het collectief, werd

     niet alleen omhelsd door de Franse revolutie, maar ook door latere totalitaire stelsels als

     het communisme en het fascisme.     

[iv]   Het verscheen op 27 mei1762 en werd op 9 juni door het Parijse parlement officieel ver-

     boden omdat een opvoeding die uitsluitend op de natuurwetten gebaseerd was, voorbij

     ging aan de grondslag van het christelijke geloof. Bron: KB Galerie, Judith Grootendorst.

[v]    Briefroman van Goethe, waarin een jongeman verliefd wordt op een meisje dat verloofd is.

     Deze uitzichtloze situatie leidt tot zelfmoord van de hoofdpersoon. Het is een vroeg voor-

     beeld van het in de romantiek veel gebruikte thema van een persoon die volledig geleid

     door zijn gevoelens, onafwendbaar zijn ondergang tegemoet treedt.

[vi]   Francisco José De La Goya y Lucientes, º 1746 - † 1828. Spaans kunstschilder, die begon

     als portretschilder van de Spaanse kon. familie, en eindigde als schilder van oorlogsgru-

     welen.     

[vii]   Casper David Friedrich, º 1774 - †1840. Duits schilder en tekenaar met een fascinatie

     voor de mystiek. Bevriend met J.W. von Goethe. 

[viii] Henri Fuseli (Johann Heinrich Füssli), º 1741 - † 1825. Zwitsers-Hongaarse schilder, met

     een voorkeur voor het bizarre en het angsaanjagende. Tot aan 1764 predikant.

[ix]   In een latere periode zullen de Franse schilders met name protesteren tegen het door de

     Academie voor beeldende kunsten dwingend voorgeschreven classisime. Bron: Het Ro-

     mantiek Boek, R. de Leeuw & B. Tempel, pag. 8.