Van Code Pénal, § 175 en meer... Deel II 

Blog over de 19e-eeuwse zedelijkheidswetgeving  

Gepubliceerd op donderdag 30 juli 2026


Heb je Andreas Pavley, ofwel Henk van Dorp de Weijer, waar blog 8 zo uitbundig mee eindigde af en toe ook nog op 't netvlies? Bij je blogschrijver 'als een bevroren silhouet in zijn ooghoek' in ieder geval wel, en daar er zeer positieve reacties op zijn binnengekomen keert Andreas ook zeker weer terug!

Maar lieve volgers, met de verbanning van Napoleon naar St Helena zijn we op blog 7 in het begin van de 19e eeuw blijven steken, dus eer we in de buurt van die anarchistische uitgever Adolf Brand (en dit terzijde: Pavley en hij waren tijdsgenoten. . .) zijn beland hebben we nog wel wat hobbels te gaan. Voor mij overigens ook een van de aardigste aspecten van het Elisarion-boysblog, dat personen of thema's die ik hier toon in de spotlights vroeg of laat op een andere plek in t Grote Geheel vaak weer aanknopingspunten blijken te zijn! Lijntjes trekken, van kapstok naar kapstok, verbindingen zien; mijn lust en mijn leven...  


Echter bloglezers met dat gemijmer komen we er niet! Napoleon had Europa enigszins ontredderd achtergelaten, wat schrijf ik: enigszins? lees maar rustig compleet! en waren wij Hollanders met de blauwdruk voor een nieuwe constitutie, die regent Van Hogendorp rap uit z'n mouw bleek te schudden al weer vrij snel met een gloednieuwe Willem I als Soeverein Vorst 'onder de pannen,' om bij onze oosterburen uit die zo groteske versnippering aan tientallen staatjes, mini vorsten- en hertogendommetjes, vrijsteden en andere curiosa een eenheid te smeden, dat was wel even andere koek!         

Het Congres van Wenen, met staande op de voorgrond Klemens von Metternich

Om te voorkomen dat ooit weer een variant op Napoleon in Europa de kop op zou steken organiseerde de Oostenrijkse kanselier von Metternich het Congres van Wenen, wat hij behalve voorzat ook slim stuurde. Het duurde van sept. 1814 tot juni 1815, want Bonaparte gooide roet in het eten door van Elba te ontsnappen, en nog voor eenmaal terug te keren. 

Nadat Bonaparte definitief werd verslagen bij Waterloo, werd Willem I op 16 maart 1815 koning van een Nederland waar ook het huidige België bij hoorde, en tevens groothertog van het groothertogdom Luxemburg.     

Maar zo relatief simpel ging het bij wat nu Duitsland heet niet; al wat het Weens Congres aan eenheid wist te baren, was de geen eenheid van de Deutsche Bund, de Duitse Statenbond, bestaande uit 39 soevereine landen...        

Werd in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden gedurende de verdere eeuw wat betreft zedelijkheidswetgeving zo'n beetje voortgeborduurd op de Code Pénal, die nieuwe Duitse bond van 39 soevereine landen bracht even zoveel meningen van vaak nog absoluut heersers. De visie was en bleef zéér verdeeld.   

Zo werd in het groothertogdom Baden en de koninkrijken Beieren, Württemberg en Hannoverloyaal aan de verlichte Franse opvattingen, sodomie in 1813 al uit het strafrecht gehaald, terwijl in het grote en conservatieve koninkrijk Pruisen daar toch zwaarwegende bezwaren tegen bleven bestaan.

Afb 1: kaart van Europa na het Congres v Wenen, afb 2: Spotprent over hetzelfde congres. 

Dat was dus zo'n beetje het justitiële drijfzand waar we in ons land en bij Duitstalige buren wat de herenliefde betreft in dwaalden. Was het met instemming van beide partijen, boven de veertien en achter de voordeur, dan werd je niet meer veroordeeld tot 'blakening gevolgd door langzame wurging aan de paal, op zijn minst dertig jaar eenzame opsluiting, verbanning' of nog treuriger varianten erop.

Een hele verbetering, toch? Jazeker dat was het, alleen meer het gevolg van gebrek aan overeenstemming onder de politieke stromingen om tot vervangende wetgeving te komen, dan dat ze het van harte zo vonden, en dus van weliswaar langdurige maar toch tijdelijke aard. Er bleef aan die vorm van aantrekkingskracht tussen mensen een smet kleven, wellicht nog het best vergelijkbaar met het Crimen Nefandum van de eeuwen ervoor.

De Onnoembare Zonde, zoals het binnen De Kerk uit angst op navolging letterlijk uit het menselijk bestaan dood was gezwegen als iets dat niet bestond. Langs diezelfde zonde die wettelijk dan wel geen zonde meer was, werd nu heen gekeken alsof men het niet zag. En etterde het als een steenpuist door het wegkijken heen, dan werd het door dienstkloppers bij justitie naar hartelust vervolgd zover als dat mogelijk was.     

Provó Kluit's woorden bij zijn huwelijk in 1798 als staaltje van Hollands christelijke deugdzaamheid...

Zoals bijvoorbeeld procureur-crimineel (nu officier v justitie) Pieter Provó Kluit, die in een sodomiezaak de kastelein van herensociëteit 'Sic Semper' in 1817 zonder ook maar 'n snipper bewijs opgeknoopt voor moord op een jongen (die hem chanteerde, gevolgd door een vechtpartij met dodelijke afloop) wist te krijgen en de verdachte zodanig listig uithoorde dat er een netwerk bloot kwam te liggen.

Als gevolg hiervan werden 29 Utrechtse mannen opgepakt, die allen onder pressie in hun onnozelheid lieten blijken contact met elkaar te hebben gehad en wegens schending der openbare eerbaarheid (art. 330 Code Pénal) als achteraf vastgesteld vergrijp alsnog werden veroordeeld tot de maximale celstraf van één jaar plus een geldboete groot 94 gulden, 4 stuivers en 12 centen (de in de wet genoemde 200 Franse frank, omgerekend naar dagkoers), en dit zonder ook maar één getuige...      

Hendrik Swellengrebel, vrederechter uit Maarssen, afkomstig uit hogere kringen (één der verdachten, ook lid van sociëteit Sic Semper) ging als enige in hoger beroep en werd uiteindelijk vrijgesproken. De hier door Provó Kluit gehanteerde methode bleef in grote lijnen de standaard aanpak voor onze doelgroep gedurende de rest van de 19e eeuw. Sodomie was dan wel uit de strafwet, maar wie het praktiseerde was vogelvrij, of je moest van wel héél edele geboorte zijn, dan kwam er uiteraard geen methode Provó Kluit aan te pas...           

De roerige start van ons koninkrijk onder Koning Willem I, die blind voor de toch uit de Franse revolutie voortkomende nieuwe tijdgeest, als een niet bijzonder geliefd absoluut monarch ging regeren, de afsplitsing van wat België zou gaan worden na de tiendaagse veldtocht (1831)... Je blogschrijver slaat, hoe interessant allemaal ook, daar het buiten het werkgebied van ons Elisarion-boysblog valt, het hier zeer bewust over, om de spotlicht eens op Slender Billy, (zoals hij in 1813 in het Engelse leger tijdens de Napoleontische oorlogen in Spanje werd genoemd) te richten...

Willem Frederik George Lodewijk, prins van Oranje, Guillot voor familie en vrienden, werd door zijn vader - onze koning Willem I - na de stadhouderlijke vlucht in 1795, gezien als laatste optie voor de Oranje's om mogelijkerwijs op het Europese toneel ooit nog een aardige deun vol verheven importantie mee te kunnen blazen. Dit heeft zijn steun aan Guillot's keus om zich als adjudant van de hertog van Wellington in het strijdgewoel van die jaren te begeven, zeer zeker beïnvloed.       

Zijn imago als 'Held van Waterloo' (de slag bij Quatre-Bras) maakte hem mede door zijn charme onder de Nederlandse bevolking van begin af geliefder dan zijn vader, die, hoewel heden ten dage geportreteerd als zeer betrokken vorst, zijn ministers als persoonlijke bedienden zag, en wel erg druk in de weer was met het 'redden' van het uitgebreide Duitse familiebezit en kapitaal waarmee vanaf Bonaparte t/m het Congres van Wenen nogal ruw was omgesprongen... De stelling dat Willem I het koningschap had aanvaard voor de eer, hoort dan ook in de kliko. Qua inkomen was hij jaarlijks verreweg het duurst gekroond hoofd in Europa en wist het vorstenhuis der Oranjes tot het meest kapitaalkrachtig in die regio uit te baten.       

Koning Willem I (1815/1840) 

Koning Willem II (1840/1849)

Waarom ik dit zo uitvoerig schrijf vraag jij je af? Wel, tussen Guillot en zijn vader boterde het duidelijk niet. De zoon licht ontvlambaar, daarnaast echter ook onzeker en snel beïnvloedbaar, papa als bijzonder tiranniek. En hoewel slechts schilderijen, denk ik het grote karakterverschil aan de uitwerking die de diverse schilders aan de portrettering gaven af te kunnen lezen (zie boven & rechts). Daarbij... hij was dan wel uitgeroepen tot Held van Waterloo, maar was het wel zo'n held, onze Guillot?

Was het geen rol die hij speelde? Die kortstondige legerloopbaan geen vlucht in de veilige wereld van '(kwa)jongens onder elkaar?' Van kostschool en schermschool? Een toenmalige variant op wat wij kennen als bijeen klittende jongens en mannen in cafés, sauna's, kantines? Guillot was namelijk geinteresseerd in mannen, oftewel homo, al moest dat begrip enige decennia later in Duitsland nog worden bedacht en komt dit in het 3e blog van deze reeks nog ruimschoots ter sprake.     

En niet direct mailen 'hij was toch gehuwd met Anna Paulowna, de jongste zus van de Russische tsaar Paul I, verwekte daar vijf kinderen bij...' want ook heden liggen juist hier op de Veluwe de vele voorbeelden van zij-die-niet-of-pas-laat-uit-de-kast-durven-komen nog voor het oprapen; worden slaafs vader zoals onze Guillot...    

Een snel verveelde onrustige jongen, kroonprins Willem, geheel stil om hem was het nooit. Als jonggehuwden in 1816 residerend in Brussel walmt er al een constante roddelwolk rond het paleis. Bijvoorbeeld dat hij het bewind van zijn vader met gelijkgezinden omver trachtte te werpen of gevraagd was om koning van België of Frankrijk te worden, en na in 1840 tot koning gekroond, in Den Haag dat hij scharrelde met bedienden... Dit laatste is dan overigens in familiekring al geen echt nieuwtje meer, want chantagebrieven waarin hem voorgesteld werd de openbaring van zijn losbandige leven af te kopen vielen al decennia eerder op de Oranje mat. Zoals die in 1819, ter grootte van fl. 63.000,- waarvoor hij noodgedwongen steun bij zijn vader moest zoeken.

En of Guillot nu zo naïef was, zich in zijn huwelijkse staat dodelijk verveelde of er gewoon koninklijk 'maling' aan had, erg discreet ging het allemaal niet. Zo klaagt baron von Maltitz als Russische ambassadeur in een brief aan graaf von Nesselrode (Russiche minister BZ) over de omgang van Willem met de dandy Pereira (waar de frivole vorst blijkbaar zo van in de wolken was, dat hij er bij zijn kleer- en schoenmaker een onbegrensd krediet voor had geopend): “Vaak ook hebben ze samen gesoupeerd, têtê-â-têtê, in het kabinet van de prins en daar gewaakt tot 3 uur ‘s nachts...”

In het koffiehuis van Joseph Daamen aan de Haagse Dagelijkse Groenmarkt gaat hij over de tong, is het voor die tijd wel zeer vrijzinnige liefdesleven van de vorst nog al eens het gesprek van de dag, circuleerden er briefjes waar op een ervan, zo vertelde Daamen aan al zijn vrienden, Willem verklaarde dat hij ene 'Peter Jansen beter liefhad dan de mooiste vrouw in zijn koninkrijk...’ Voor die tijd werden kleine fortuinen betaald om “bepaalde schandelijke en onnatuurlijke lusten van ZKH,” zoals ze door de minister van justitie Cornelix Felix van Maanen zo keurig werden omschreven, maar vooral onder de pet te houden, en naar het schijnt zouden diverse groepjes afpersend gebroezem met 'n enkele reis richting koloniën van hogerhand weggewerkt zijn

Die Peter Jansen (in feite Petrus Janssen), wordt voor het eerst genoemd in de krantjes van Eillert Meeter, zelf vanuit 'De Kroon protegerende kring' tot voor kort nog als stokebrand, roddelaar en aartsleugenaar weggezet. Naar de visie van je blogschrijver dus bepaald niet terecht. 

Meeter was een jonge Groningse journalist, in hart en nieren de republiek toegedaan, die in zijn gedrevenheid bijna geen middel onbeproefd liet om de dictatoriale regeerwijze der Oranje's voor een democratie te verruilen. Waar hij overigens bepaald niet de enige in was, er werd in het 2e kwart der 19e eeuw zowel bij ons als in Frankrijk en bij de Duitstaligen in brede kring door het 'grauw' gemord. Er hing duidelijk opstand in de lucht... 

En met publicaties als van 10 november 1840 in de Tolk der Vrijheid over de Tweede Kamer beraadslagingen onder de nieuwe koning Willem II, aan oproer uiteraard geen gebrek! 

"Daar zitten de dikke oomes nu bij malkaar, 58 in getal... daar zitten zij nu op hun gemak, met hunne mooye pruiken, dikke buiken en dunnen beenen! Daar zitten zij nu, die lieve, mooye, dure oomes... Zij zullen weer gevraagd worden, of er maar weer opcenten op de noodzakelijke levendsbehoeften zullen worden gelegd. De Koning laat zulks, nota bene, nog wel beleefdheidshalve vragen; net of hij het meent. Even alsof die oomes nog op eene cordate wijze neen durven zeggen, dáár, waar de regering wil, dat zij ja uitspreken! Even alsof hun geprevel nog zoo vele waarde had! Die dure rommelzoo!"

Hier twee krantjes van Eillert Meeter, maar de initiatiefrijke driftkikker (met een vlotte pen, zie zijn memoires in de Bieb!) bemoeide zich o.a. ook met:     De Onafhankelijke, De Haagsche Miniatuurbode, De Ontwaakte Leeuw, De Contra Ooijevaar & De Vaderlander  En dat alles rond zijn 25ste!     

Nog zo'n provocerend krantje van Eillert Meeter. Lees vooral de rubriek Mengelingen v dezelfde pagina hieronder! 

Onze excuses voor de slechte leesbaarheid!

Eillert, in die roerige jaren daardoor met regelmaat voor smaad aangeklaagd, steevast in hoger beroep en op de vlucht om straf te ontlopen, verplaatst om er nog eens extra een schep op te gooien zijn uitgeverijtje via Amsterdam naar de Hofstad om daar leep en uitdagend onder de ogen van de Oranje's vanaf 1844 zijn dwarsliggende blaadje de Ooijevaar te gaan publiceren (zie 2e afb. boven).

Het was op een winterse vrijdag in maart 1845, - zo schrijft hij later in zijn memoires - dat er onder mijn schrijfwerk voor de Ooijevaar 

een uitgemergelde en (..) uitziende persoon voor me verscheen, die met diep ingevallen ogen om zich heen staarde en me met een lage, raspende stem vroeg of hij alleen met me was. (..) Deze vodden-jongen had een (..) stapel papieren onder zijn arm, die hij op mijn schrijftafel legde, terwijl hij (..) zijn hand erop hield. Mijn verbazing nam niet af toen ik hem hoorde zeggen dat zijn naam Peter Jansen was en dat slechts twee mensen hem van de ondergang konden redden: Dirk Donker Curtius en ikzelf.

Het was de eerste keer dat ik deze vreemde man (..) zag, en de informatie die ik (..) had ontvangen over zijn dubieuze band met de koning en de enorme bedragen die hem door de vernederde vorst waren geschonken, deed me geloven dat als ik Peter Jansen ooit zou zien, ik hem zeker in de meest verfijnde kleding zou aantreffen, vol gouden ringen, een bril, een ketting, een horloge en alle andere attributen die doorgaans tot de pronkstukken van dergelijke mensen behoren.

(..) Toen ik hem erop wees dat het onbeleefd was (..) stiekem mijn kamer binnen te komen, knielde hij voor mijn voeten en riep met bedroefde stem dat hij had besloten mij op welke manier ook te zien (..). "Ik heb bijna honger," zei hij, "en mijn vrouw en kind ook." Er bestaan ​​zeer belangrijke geheimen tussen Willem II en mij, en het gezond verstand zou hem moeten zeggen dat hij mij niet zo arm moet laten als ik ben; maar hij heeft zich van mij teruggetrokken, en - maar kijk alstublieft in deze documenten, die zullen u alles vertellen. Kijk er alstublieft naar; Niemand heeft ze tot nu toe gezien, behalve Donker Curtius, en hij lijkt niet bereid me te redden."

(..) nadat ik vluchtig naar zijn (..) privéaangelegenheden met Willem II had gekeken, beval ik hem op te staan ​​en te zweren dat hij mij de waarheid zou vertellen. “Nadat Cats en ik,” vervolgde hij, “een aantal plannen hadden gepresenteerd om het land van een faillissement te redden, ontmoette ik op een dag toevallig de koning, die alleen wandelde op het Nachtegaalspad, vlak bij de tuin van zijn paleis. Hij vroeg me of ik dezelfde persoon was die hem plannen voor financiële hervormingen had gestuurd. Toen ik bevestigend antwoordde, verzocht hij mij om hem de volgende ochtend om half twaalf te zien; en verheugd over zo'n uitnodiging, en bovendien nogal geldgebrek hebbend, verzuimde ik niet op het afgesproken tijdstip in het koninklijk paleis te verschijnen.

Ik werd de ontvangstkamer aan de Kneuterdyk binnengeleid en na een inleidend (..) gesprek pakte hij voorzichtig mijn hand en drukte die met een vreemde, trillende nervositeit, alsof ik de hand van een verliefde, wellustige vrouw vasthield: "Luister, Jansen," zei de koning; "wees ervan overtuigd dat je een slimme en goede man bent, en ik mag je erg graag;" en, me dichter naar zich toe trekkend, kuste hij me en fluisterde: "Geloof me, Jansen, ik kan van jou een staatsman maken, en een groot staatsman bovendien; en kijk eens, Jansen, ik zal je een onderscheiding op je borst geven" - (hij drukte me nu tegen zijn hart en kuste me nog inniger dan voorheen) - "en als je het mooi vindt" - (en hier was hij, zwaar ademend, de onderscheiding (..) op zijn borst aan het losmaken) - "kun je dit hebben; kom, Jansen - kom, doe wat ik wil." Na deze woorden te hebben gezegd, stak hij zijn hand naar voren, en" -

"Wegwezen!" zei ik. 'Heb nooit meer de brutaliteit om mijn drempel over te stappen." Maar hij vouwde zijn handen en nam een ​​biddende houding aan (..): "Ik ben onschuldig; ik ben niet gevallen; de poging is gedaan, maar ik heb weerstand geboden; dat is alles. Ik zweer dat ik onschuldig ben aan het misdrijf. Help me, sta me bij; ik ben verloren als u het niet wilt doen, en u kunt het in een minuut doen. Een paar regels van uw handschrift zullen me redden."

(..) hij haalde een brief uit zijn zak, gericht aan Zijne Majesteit Willem II (..) met de mededeling dat als hij zich de volgende maandag bij het koninklijk paleis zou melden en vóór twaalf uur die dag geen (..) vijftienduizend gulden zou ontvangen, hij (..) alles wat er tussen hen was besproken openbaar te maken. Hij verzocht mij er slechts aan toe te voegen dat ik aan zijn wensen (..) tot de publicatie zou voldoen. Ik geloofde (..) de man; en (..) kreeg (..) medelijden met hem. Ik (..) schreef onder Jansens handtekening (..): "Tenzij het slachtoffer van koninklijke harteloosheid geholpen wordt, zal ik de zaak onmiddellijk openbaar maken - E. MEETER." 

Van de genoemde memoires van Eillert Meeter, in Engeland gepubliceerd nadat hij uiteindelijk definitief het land uit was gevlucht, vind je in m'n Biep de betreffende hoofdstukken in een verkorte pdfversie, samen met een link voor diegenen die het in zijn geheel willen lezen. Twijfelaars aan de betrouwbaarheid wijs ik er op dat recente research in het Koninklijk Archief diverse van Janssens brieven opgeleverde, ook tonen de vele op voorhand al vast te stellen juiste details van de memoires aan, dat het - zoals tot voor kort- als goedkope roddel wegwuiven afbreuk doet aan de grote historische waarde ervan.  

Wat ik er als blogschrijver zelf van vind? Wel, Guillot komt in mijn ogen hier uit de verf als man, die mede door weinig om handen te hebben, zijn hongerigheid naar jongemannen niet goed kon beheersen. En bepaald niet 'bi' zoals algemeen wordt gesteld, maar zonder meer gay. En daar een van zijn bevriende studiegenoten zich volgens de bronnen openlijk met een entourage van 'herenliefde bedienden' omringde, durf ik de conclusie wel aan - zoals in het begin van dit blog ook geopperd - dat die gevoelens er van jongst af aan waren.

En voor dat een volger vraagtekens plaatst bij de noodzakelijkheid om die 'Petrus Janssen affaire' zo tot in detail uit de doeken te doen: zoals we nog gaan zien in het laatste deel van dit blog had de mogelijkheid om Guillot ermee onder druk te zetten vergaande politieke gevolgen, dus mijn antwoord is volmondig ja!                       

Ik noteerde al eerder: er hing in het 2e kwart der 19e eeuw opstand in de lucht...  en uit diezelfde lucht vallen, deed het uiteraard niet! Het grauw, het gemeen, de meest simpele arbeiders dus, huisden in de steden in duistere vochtig bedompte sloppen en krochten, letterlijk op vuilnisbelten tussen de ratten zonder riool, als ideale kweek voor de doorlopend uitbrekende ziektes als cholera en tyfus, als ze van de honger tenminste al niet eerder gestorven waren...

Eillert Meeter was in z'n dwarsliggerigheid ook zeker niet de enige die daar tegen fulmineerde. Hij staat in dit blog dan ook model voor de opkomst van de eerste politiek getinte stromingen - van variaties in liberaal, communist, tot christelijk - die tot paniek van de elite overal in Europa 'rellend, samenscholend, en duistere plannen smedend' de eerste 'volks' vergaderingen belegden...  

Afb 1: v Bevervoorde als red. v. d. Burger in 1848 op de schouders v het grauw door de Wagenstraat. Afb.2: Oproer te Amsterdam.   

In Den Haag waren het de liberaal mr. Dirk Donker Curtius en de pamflettist Jhr. Adriaan van Bevervoorde, die in 1848 in navolging van Frankrijk (waar koning Louis-Philippe net was gevallen) en de revolutionairen in Saksen, Baden, Württemberg en Pruisen, volksopstanden organiserend de politieke kar trokken. Donker Curtius ging de iets liberalere visie van Willem II na de machtsovername van zijn papa in 1840 niet ver genoeg, koos daardoor partij voor Eillert Meeter en van Bevervoorde die achter de bladen Asmodée en De Burger zat (DC verdedigde hen niet alleen voor de Hoge Raad, ook schreef hij artikelen in hun kranten).

(Jan Waldeck, Haagse commissaris, tekende in 1845 op dat DC samen met EM naar Scheveningen reed om daar onder het genot van veel drank revolutionaire plannen te smeden. Volgens hem wilden de twee het bewind van koning Willem II omverwerpen, waarbij Eillert Meeter onder het volk zieltjes zou winnen en Donker Curtius aanhang zou zoeken binnen de gegoede burgerij...). 

Met financiële steun van Donker Cortius, bracht Van Bevervoorde (die dan wel Jonkheer was, maar arm als een luis boven het koffiehuis De Gouden kroon van Joseph Daamen woonde, waar de plannen werden beraamd en die met zijn broer er groot aandeel in had) met kornuiten volgens de Amerikaanse zaakgelastigde ruim 8000 volkse opstandelingen op de been, die op 15 en 16 maart 1848 joelend, met flambouwen zwaaiend en begeleid door toeter en trom, door de Haagse straten trokken, richting het paleis van de koning.

(Deurwaarder B. León (..) zorgde dat die avond het werkvolk van ijzergieterij en -pletterij Enthoven in beweging zou komen, (..) waar Donker Curtius tegen sprak: “Het kan toch geen kwaad als er hier en daar bij de ministers, die nog altijd niet waren vervangen, eene ruit ingeworpen werd...” zo noteerde de aanwezige jonge arts Evers later. Het volk scandeerde leuzen, als: “Leve de Koning! Weg met de ministers!” en “weg met Van Hall!" (minister WF), Daamen jutte de kinderen op om “Leve Van Bevervoorde! Leve Asmodée! en Leve de hervorming!” te roepen). 

En Guillot, hoe reageerde hij op die plotselinge druk? Wel... in zijn troonrede van 1847 had de geplaagde vorst al toezeggingen gedaan voor grondwetsherziening. Op de dag dat die voorstellen tot aanpassing werden ingediend, begin maart 1848, bromde de bedlegerige politicus Jan Heemskerck tegen zijn bezoek (zijn vriend en de latere minister van oorlog onder Willem III A.W.P. Weitzel): "als de koning daarbij blijft kan hij even goed zijn biezen gaan pakken als Louis-Philippe het heeft gedaan...”

Op 13 maart deed Willem met het idee zijn geliefdheid bij het volk te bestendigen nog een knieval door te komen met 'ruimere consessies,' waarop zijn van niets wetende ministers getergd aankondigden en masse hun ontslag in te dienen. Op 19 maart schreef Provó Kluit (ken je hem nog, die 'de-wet-is-de-wet-scherpslijper' uit het begin van dit blog?) als inmiddels Amsterdamse politie directeur aan de minister van justitie: 

Volgens mijne informatie schijnt er een denkbeeld te bestaan, dat de Heeren Andringa de Kempenaar en Generaal Nahuys, op het oog zouden hebben om personen uit de mindere klasse alhier, in beweging te brengen om soortgelijke manifestatiën te maken, als te ’s Gravenhagen hebben plaats gehad.” Provo Kluit kon niet bevestigen of deze geruchten waar waren, maar wel benadrukte hij de minister dat “dergelijke demonstratiën door elke invloed voorkomen dienen te worden...”

Op 23 maart sloeg met wat geschiedenis zou maken als het 'Glazenmakersoproer' ook in Amsterdam de vlam in de pan, sneuvelden er ruiten, liep het hier en daar behoorlijk uit de hand, en trok de muitende meute zelfs op richting de burgemeesterswoning waar de zich ingesloten voelende Provó Kluit van benauwdheid twee revolvers trok, en een schot loste... (Als dank voor zijn heldhaftigheid volgde later zijn benoeming voor De Hoge Raad)

Die zo plotsklapse demonstraties maakten op de elite een overweldigende indruk. Jan Baptist van Son, minister van Katholieke Eredienst, pende in zijn dagboek: “ 't herinnerde mij onwillekeurig op dat ogenblik aan dagen in juli en augustus te Parijs in 1792; aan Priamus Hof na de inname van Troje.” Er zouden volgens van Son om plundering of erger te voorkomen zelfs plannen hebben gecirculeerd voor een burgerwacht.

Kamerheer Makay, in deze explosieve dagen dinerend aan het hof, tekende op uit Guillot's mond: 

“Dat hij nu door de demonstraties gezien had hoezeer men meer verlangde... Dat Duitsland, zelfs Weimar, ook zo woelde..." Zelfs Anna Paulowna gaf met de woorden “Er zijn momenten waarop hij grote besluiten neemt... Je moet het moment goed kiezen... De positie van de koning is erg moeilijk...” haar kamerheer blijk van een mening. De volgende de dag sprak de Willem tijdens het diner tegen de dan weer aanwezige minister: “Van Son, wat is er veel gebeurd sinds eenige dagen!” 

Dat Guillot zwaar onder de indruk is van wat er tijdens die dagen buiten zijn paleis aan oproer plaatsvond, is glashelder. Tevens tonen zijn woorden aan dat hij zich ervan bewust was dat er stappen dienden te worden gezet, dat om met Anna Paulowna te spreken: gekozen moest worden voor het goede moment... Daarnaast blijft hier buiten beeld dat het niet slechts die druk was die hem tot stappen maande, maar eentje bovenop de druk die er constant gedurende de laatste jaren al was, de druk als gevolg van zijn chatagegevoeligheid. Een druk die hij trachtte te doorbreken door zich te ontspannen, te ontspannen met jongere mannen, waardoor hij in de schier vicieuze cirkel van 'het ene probleem met het andere alleen maar erger te maken' was beland...         

Op 16 maart, dus nog ruim een week voor het Amsterdam oproer, grapte Willem luchtig tegen de gezanten van Oostenrijk, Engeland, Rusland en Pruisen dat hij in vierentwintig uur van "trés conservatif trés liberal" was geworden. Diezelfde dag kondigde hij aan Thorbecke en Donker Curtius voor de grondwetscommissie te willen benoemen, met speciaal voor de laatste een positie als minister van Justitie. De officiële opdracht voor de beide politieke zwaargewichten volgende de volgende dag.  


Tijd voor een conclusie?

Terugdenkend aan mijn Mulo jaren, meen ik mij te herinneren dat Roel Wuitte, die heel modern geschiedenis zonder jaartallen gaf (wat ik later als een gemis heb ervaren), ons trachtte bij te brengen dat het Thorbecke was die de parlementaire democratie in ons land vorm heeft gegeven. Gezien het bovenstaande denk ik nu reeds te durven stellen dat Dirk Donker Curtius daarbij op zijn minst een gedeelde eerste plaats heeft verdient en denkelijk Thorbecke bij nader onderzoek zelfs van zijn troon stoot.

Ook Eillert Meeter dit tot voor kort het predicaat chanteur - roddelaar opgeplakt kreeg, verdient zeker eerherstel, en ik durf de stelling wel aan dat het meeste wat hij Peter Janssen laat zeggen op waarheid berust. Onze prins Guillot beleefde waarschijnlijk zijn beste jaren 'met de boys onder elkaar,' gedurende zijn studie, latere opleiding en als Wellingtons adjudant in het leger; op wat latere leeftijd werd het snakken naar een gewillige jongeman hem fataal. Als nieuwe biografen nu schrijven dat hij 'vlug in paniek en beren ziend op de weg, ook snel bereid was zijn beurs te trekken en toezeggingen te doen,' dan kunnen we met wat we bij Meeter van hem hebben gelezen, de woorden van Peter Janssen gerust als waar interpreteren, en daar hou ik het op!         

De aantrekkingskracht die een vaak oudere man ervaart voor een jongere... het trok in dit blog meerdere malen voorbij. Daar ik mij voorstel dat er onder mijn blogvolgers zijn die zich afvragen of het toen in een dergelijke groepering dan slechts uitsluitend draaide om oppervlakkige lustbeleving, sluit ik dit blog af met een fragment uit een brief die ene Jan van Zaanen in 1826 schreef aan zijn vriend.   

Lieve beste Kees.... Ik bedank u voor de goede en lieven vriendschap die ik met u doorgebragt heb. Och lieve vriend het is maar voor een korte tijd geweest dat ik bij u geweest ben. Ik hoop dat het nog van lange duur zou mooge weese en dat ik nog eenmaal in uw armen mag liggen. Och, de leste kus welke ik van en ik u gaf, zit nog in myn ziel. Tot heden toe, beste, denk ik over u. De twee nagte en drie dagen ben mij al langer gevallen dan de 12 dagen dat ik hier in Amsterdam in het midden van u was. Lieve, houd u goed.

Was getekend, Jan van Zaanen

De schrijver ervan was knecht op bruiloften en partijen, en de brief met twee andere in beslag genomen bij de geadresseerde Kees Cornelisse, koopman te Amsterdam, die was aangehouden voor schennis van de openbare eerbaarheid. KC was na veroordeling in hoger beroep gegaan. De brieven, gedateerd 15, 19 en 26 april 1826, bevinden zich in het archief van het Hooggerechtshof. (ARA HGH 395)          


Lieve blogvolger, normaal gesproken volgt hier al direct de aankondiging van het volgende blog, in dit geval dus het deel III rond hetzelfde thema. Daar op verzoek van lezers er tussen de delen I en II als divertissement het blog 'Over ene Malva en d'r Bacchanale' is tussen gekomen, gaan we voor het volgende deel op diezelfde wijze verder, al is tot op heden het onderwerp ervoor nog niet bekend.

Met warme groet: WF, je blogschrijver. 


Post Scriptum

Daar Beatrix als moederkloek wakend over haar vorstenhuis van de meest recente publicaties rond haar familie weinig gelukkig schijnt te worden, lijkt in het kader van dit blog het behalve interessant ook logisch om de vraag in hoeverre zij als 'Zur Lippe-Biesterveld dochter' nog Oranjebloed door haar aderen heeft stromen, eens nader tegen het licht te houden.

Om maar het dichtst bij huis te beginnen: haar opa prins Hendrik besmette als zwaar syfilis (lues) patiënt haar oma Wilhelmina, met als gevolg minstens vijf miskramen. Medisch wordt het als volstrekt onmogelijk gezien om bij zo'n dubbele besmetting nog kroost te verwekken, en ofschoon eerst aan tyfus geweten, werd in 1906 de echte diagnose door de arts August Wassermann wereldkundig gemaakt. Op 31 aug. 1909 werd het zeer giftige Salvarsan 606 (Arsphenamine) op een konijn uitgetest en in 1910 als het eerste echt werkende medicijn tegen syfilis op de markt gebracht, dit terwijl haar moeder prinses Juliana op 30 april 1909 werd geboren. Wie het weet mag het zeggen...  

En nu we hier toch heerlijk historisch aan het roddelen zijn: ook Guillots zoon, de latere koning Willem III (en dus Beatrix's betovergrootvader), die pas op zijn 61ste met Emma trouwde, kon door syfilis niet voor officieel erkend nageslacht zorgen. Wilhelmina's natuurlijke vader was de bij Emma als secretaris in dienst zijnde S.M.S. de Ranitz, die als dank voor bewezen diensten bij Koninklijk besluit tot Jonkheer werd verheven en wiens neef Coen De Ranitz burgemeester van Utrecht werd. (C.d.R kreeg als Juliana's achterneef, vervolgens Ridder in de orde van Oranje Nassau, Commandeur in de orde van Oranje Nassau, Erekruis Huisorde Oranje en Ereridder van de Johanitter Orde opgespeld) Dat Juliana en Coen zich tijdens hun studie in Leiden neef en nicht noemden is dan ook niet zo verwonderlijk. Dit 'geheim van Soestdijk' (er zijn er wel meer...) maakt Wilhelmina tot bastaard en buitenechtelijk dochter. Volgens de 'Oranje' historicus Jan Kikkert leed ze aan een nogal exclusieve erfelijke afwijking, ook bij de familie de Ranitz prominent aanwezig, waardoor ze het verschil tussen lage en hoge tonen niet hoorde...  

Daarnaast liep de lijn 'Prins van Oranje' als directe nazaat van onze in het volkslied bezongen Willem de Zwijger, dood bij diens kinderloos overleden achterkleinzoon stadhouder Willem III in 1702. Frederik I, de kleinzoon van prins Frederik Hendrik van Oranje en koning van Pruisen, riep zich als erfgenaam uit tot Prins van Oranje, terwijl het feitelijke beheer van het vorstendom overging naar het huis Bourbon-Conti. Pas bij het z.g. traité de Partage, (Amsterdam 1732), mocht stadhouder Johan Willem Friso (van Nassau-Dietz) de titel Prins van Oranje weer voeren, hoewel alle verdere aanspraak op het bezit intussen reeds was vervallen.  

In de vorige eeuw is naar aanleiding van opgravingen van botten die vermoedelijk van de Romanov's zijn, vanuit Russisch wetenschappelijke kring zowel aan Juliana als Beatrix verzocht DNA af te staan, dit daar Guillots vrouw Anna Paulowna als dochter van de Russische tsaar Paul, een Romanov was. Zowel Juliana als Beatrix hebben dit echter steeds geweigerd. Redenen hiervoor zijn zover bekend nooit verstrekt...