ELISÀR... jochie, waarom? II

Een blog over Elisàr von Kupffer

Deel II, gepubliceerd op zaterdag 5 september 2026

 

Zoals onderwijl traditie lardeert je blogschrijver op veelvuldig verzoek de reeks 'Van Code Pénal, § 175 en meer,' waar we inmiddels tot en met deel II mee zijn gevorderd, weer met 'n iets luchtiger item, dit om het leesanimo onder zijn volgers niet al te zeer te smoren in geweeklaag en desinteresse... En hoewel nooit echt om 'n aardige story verlegen, duurde het best nog geruime tijd voor het kwartje met 'schenk weer eens aandacht aan de mede-naamgever van dit blog!' toch eindelijk viel. Krabbelde ik lang achter m'n oor vóór ik plots de logica ervan inzag, dat het na het schrijven van blog I over Elisàr bij toeval in het Getty Research Institute ontdekte bronmateriaal, zo aardig paste bij het 'waarom' in de titel ervan. Nou blogvolger, écht verhelderend klinkt het teruglezend alle-maal bepaald niet... Maar misschien maakt dit wazige introotje je juist daarom wel razend nieuwsgierig, en dus vooruit met de geit!     


Herken je ze nog die twee zo in en in keurige heren hier rechts? Links Elisàr, rechts Eduard; een stel uit Eestland (nu Estonia) in Munisio neergestreken herenliefde-adepten, die rond 1940, zo tegen het eind van hun vijfenveertig jaar 'samenzijn' dood leuk verkondigden dat toch in feite nooit te zijn geweest; homo...? 

Nu was het wel Elisàr die dat laatste in 'Aus einem wahrhaften Leben' schreef. Zijn autobiografie, die Eduard in 1943, dus pas ruim een jaar na zijn overlijden onder eigen redactie uitbracht. Eduard, die er waarschijnlijk inhoudelijk aan poetste, er na de oorlog drukdoende mee was hun brieven & fotoarchief zodanig te sorteren, dat veel herenliefdecorrespondentie met uitgever Adolf Brand en de seksuoloog dr. Magnus Hirschfeld (waarover in volgende Elisàrblogs meer) in snippertjes verscheurd met de vuilnisman mee gegeven lijkt te zijn.  

En waren ze dat dan niet, homo? Ze blikten dan wel zo'n beetje stijlvol, pedant en wereldvreemd vanaf hun zelfverkozen eiland in dat Munisio naar de rest van de wereld, zo leek het, maarre... hoe zag de rest van die wereld hen? Wél, het Bundes Archiv Berlin bezit de correspondentie tussen het Duitse consulaat in Locarno en de Reichs Kanzlei Berlin over Elisàr en zijn partner. Briefwisseling uit het 2e jaar van Hitlers Drittes Reich... Laten we zowel bij onze beide heren als in het Bundes Archiv dus eens een kijkje nemen!


 Het zo bij de tijdgeest en leven van Elisàr en Eduard horende interieur is ondanks met wat testamentair vast was gelegd, helaas als 'groot vuil' afgevoerd. Maar de foto's die resten komen in een van de volgende Elisàr-blogs zeker aan bod!    

De foto links van hun villa die ze uiteindelijk begin jaren twintig in Minusio laten bouwen, komt uit hun eigen fotoarchief en die van hun zitje tussen diezelfde pilaren hierboven, dus duidelijk uit een ander jaargetij! Op mijn eerste Elisàr-blog hebben we het koppel zo'n beetje verlaten tijdens hun cultuur-opsnuif-reizen door het Italie van 1895/1908... In de tussentijd is er echter wel het een en ander gebeurd; Elisàr heeft n.l. tijdens één van zijn 'ziekbedden' (hij bezocht menig kuuroord) bedacht de wereld met zijn 'Clarisme' te moeten verrijken; een nieuw geloof waarmee hij de zo in de onrust van het dagelijkse bestaan (de Wirrwelt) verstrikte moderne mens de mogelijkheid bood weer intens gelukkig te worden...       

Zijn visioenen openbaarden zich in dezelfde periode dat Fino - het zoontje van hun huisbazin (geboren als Adolf Schmidt), die hem in blog Elisàr I nog vol hartstocht kwam zoenen, en liefdesbrieven schreef - zich ingeruild voelde (volgens Elisàr uit jaloezie, een érg onhebbelijk trekje...) doordat de kersverse zelf uitgeroepen Claristische voorganger bij een ommetje plots de net zestienjarige Luigi Tarrico tegen het lijf liep, door hem vanaf dan Gino gedoopt.     

Het verschijnen van Gino luidt een opvallende intensivering in van zijn tot dan op een laag pitje sudderende schildersambitie. En hoewel in het begin waarschijnlijk met een zekere knipoog bedoeld, spelen die twee jongens (er waren er meer) in die ontwikkelingsfase van zijn schildersstijl, zoals we nog zullen gaan zien, een uitermate vormende, invloedrijke, én door veel kunsthistorici toch wat onderschatte rol.     

Let wel, die genoemde ontstaansfase ontrolt zich in zonnig Florence, waar ons illustere duo zich voor de periode 1906/1914 heeft gevestigd aan de Piazza Indipendenza 13 en de nog van geen Gino wetende Elisàr, in ernst werkend aan 'Aino und Tio' en 'Die gefesselte Afrodite,' tracht een carrière als toneelschrijver op te bouwen. Uiteraard gestimuleerd door Eduard, die als recent gepromoveerd Dr. in de Filosofie literair vrij makkelijk voet aan de grond krijgt, echter in zijn eigen toneelwerken opgevoerd krijgen is Elisàr minder succesvol. Hij tracht er zijn Claristische ideeën in vorm te geven (item voor volgend blog!), worstelt ermee... Ziet beelden van hun verblijf in Pompeii... denkt ook aan Eduards publicatie 'Pompeji in seiner Kunst,' in 1904 zo lovend ontvangen... Rijen Griekse goden trekken in zijn dromen voorbij: Dionysus, Adonis, Eros, Hermes, Aphrodite...

Welk portret begroet me zo lieflijk vanaf de muur? 

Met zachte handen de fluit betastend, 

strelen zijn volle lippen het riet, 

                                         warrelen bruine krullen rond zijn hoofd.                                         

Het is zo stil — ik hoor je nu spelen,

het zachte, zoete geluid van je syrinx — ja…

waar kom je vandaan, mijn jongen Olympus?

Leef je nog? Kan ik je hier op aarde vinden?!

Uit de bundel 'Auferstehung, Irdische Gedichten, Vertaling WF

Voor diegene met inhoudelijke interesse in de originele Duitse tekst staan in de Bieb twee pdf bestandjes in verkorte versie ter inzage en download.  


Piekerend waar ik in hemelsnaam nog meer over zou kunnen schrijven, snuffelde ik niet bijster geinteresseerd door beide bestandjes van de hierboven getoonde tekstboekjes... was al van plan er de brui aan te geven, tot ik zag hoe buiten de regen tegen de ramen aan sloeg, ik verse koffie ging halen én gapend nog eens goed keek...   

Waar ik waarschijnlijk door het zo extreem wollige Duits eerst overheen had gekeken, viel me plots sterk op: 't sprookjesachtig-naïeve aan Aino und Tio verwachtte je toch eigenlijk eerder uit de pen van een dolende puber, dan van een man die zich zojuist met zijn Clarisme had gepresenteerd als de redder der mensheid? En blijkbaar besefte Eduard deze discrepantie ook, want in zijn breedsprakige voorwoord trok hij al zijn filosofische registers open om het van voor die tijd blijkbaar zo nodige gewicht te voorzien:          

"Mythen en sprookjes onthullen de meest authentieke menselijke kijk op de wereld. Daarom kunnen legendarische figuren altijd een diepere betekenis krijgen, en hebben dichters hun grootste successen altijd behaald door deze legendes perso;nlijk te herbeleven – zoals in de Griekse tragedies, in "Faust", in Immermanns "Merlin" en in Richard Wagners "Tristan und Isolde". Sprookjes inspireren en verrijken de menselijke geest, hoe rijker en vrijer de dichter is; ze spreken het echte leven niet tegen, nee: ze belichten slechts de grote, onderaardse stromingen van het leven, en wat in het dagelijks leven toeval wordt genoemd, begrijpen zij als de mysterieuze werking van de diepste orde der natuur. Op deze manier kunnen ze religieuze en profetische openbaringen worden..." Hier, in het gedicht "Aino en Tio", is het de fee Linda die weeft en ademt in de mist, in het maanlicht, in het vuur. Zij kan hulp brengen, zelfs verlossing, waar iemand zich verzet tegen de dwaze boosaardigheid die, in de onrechtvaardigheid van de externe macht, de frisse individualiteit van de menselijke natuur probeert te ondermijnen – die van het lieflijke schepsel Tio, die zijn bruisende uitbundigheid en vreugdevolle geest van haar, de mysterieuze moeder, ontvangt..."

Me bij mijn tweede kop koffie in het vier jaar later geschreven Die gefesselte Afrodite verdiepend, zag ik dat het trucje hier listig werd herhaald, in die zin dat het 'sprookje' nu in een antieke Griekse saus à la Eduards 'Pompeji in seiner Kunst' opgediend werd, waarbij het indrukwekkende voorwoord, dat de ondertekening 'Elisàr' droeg, wel erg veel van dr Eduard von Mayer's z'n eigen gezwollen proza weg had...

"Hellas (..), smeekt om het goddelijke beeld van Dionysus uit de tempel van haar vermoorde vader. Dit is geenszins een hyperesthetische of fetisjistische verering van het beeld, evenmin als de verering van het heilige kruisbeeld (..) in eenzaamheid en levensgevaar, dit kostbare symbool van de liefde en het lijden van zijn Verlosser koestert en dicht bij zich houdt als geruststelling en versterking van zijn geloof. Ieder weldenkend en onbevooroordeeld mens moet dit begrijpen. Zo draagt ​​de gevangen koningin Maria Stuart het kruisbeeld bij zich als een zaligmakend symbool van haar geloof. (..) Deze "Dionysus" is niet het wilde symbool van roes waarin ongebreidelde lust of een ongelovig pessimisme zichzelf verdooft, zoals Nietzsche het zo eenzijdig en on-Olympisch ontwikkelde omdat hij geen positief begrip kon krijgen van wat de moeite waard is om te geloven. Hij treedt in de voetsporen van Aristofanes en kijkt in deze vervormde spiegel van de Olympische openbaring, zoals de meesten nog steeds doen. Dat zou betekenen dat we Christus beoordelen volgens Voltaire. Voor een dergelijk inzicht is de opvatting van de meerderheid, zoals die van de Hellenistische of Atheense meerderheid, ook niet eenduidig. Deze Dionysus, die overigens samen met Apollo in Delphi werd vereerd, is de gever van stralend enthousiasme en harmonieuze vreugde, van de hogere roes die harten levendiger en intiemer doet kloppen..."

Had onze wat kinderlijke Elisàr gedurende die tussenliggende jaren met succes een cursus 'Hoe schrijf ik in die zo bombastische stijl à la Eduard' gevolgd? Of was het doodleuk Eduards tekst, en had Eduard ook de rest van Die gefesselte Afrodite voor het gemak maar even geredigeerd? Was Eduard dan soms de mannetjesmaker die met zijn geestelijk overwicht Elisàr in de vorm kneedde zoals hij hem het liefst zag? Plots viel in mijn verstofte wat eeltige hersens het kwartje, buitelden als bij een fruitautomaat de aanknopingspunten die daarop wezen mij voor de voeten, geloofde ik vanaf dat moment heilig in het idee, en kom er ook zeer zeker op terug! Voor die sterke geest die de getoonde citaten toch liever in het oorspronkelijke Duits wil lezen heb ik als extra service de twee bedoelde bestandjes van de toneelwerkjes in pdf in de Bieb bijgevoegd!      


Dromerig voor me uit starend nam ik met dit bijzonder intrigerende idee in mijn achterhoofd de draad weer op in Florence, waar Elisàr, zijn gedicht mijmerend, gebogen over zijn schrijftafel eenzaam was achtergebleven... 

Vlnr: De eerste 2 foto's spreken voor zich. Foto 3, 4, 5 zijn uiteraard Gino. De 6e foto met Gino en van boven Elisàr als grote verlosser in aureool, is getiteld 'Der Austieg.' De laatste Foto met Gino rechts, Elisàr links en Eduard in het midden staat bekend als 'Drei Seelen,' en maakt geen deel uit van de 'Harold Szeemann serie.'   

De lip krult zich en het oog lacht:

Hij speelt en speelt en zegt geen woord tegen me,

en een blos kleurt zijn bruine wangen,

Ik ken je lied, je lied is eeuwig...

Die Pompeii publicatie had Eduard speciaal aan hem opgedragen, die regels uit zijn dichtbundel 'Auferstehung, Irdische Gedichten,' er als bewondering voor zijn poëzie in opgenomen. Hij rilt, het vervult hem met trots...

Zich even losmakend van zijn schrijfwerk, en ontspannen kuierend dwars over het plein waar hun appartement aan ligt richting het standbeeld van Ubaldino Peruzzi, peinzend over de glorieuze versmelting van het mannelijke en het vrouwelijke in de hermafroditische schoonheid van Dionysus waar Eduard zo beeldend over schrijft, loopt hij blindelings tegen iemand op, mompelt: "Mi scuso, ero perso nei miei pensieri!"* en wendt zijn blik omhoog...

Zou het zo zijn gegaan, die allereerste ontmoeting met Gino? Ze liepen elkaar tegen het lijf en het was meteen raak, schrijft hij in 'Aus einem wahrhaften Leben.' Nog geen paar dagen later spreekt hij de vader, die met plannen rond loopt zijn zoon in een klooster te doen, en is plotseling een wel heel jeugdige secretaris rijker...

Zijn gebeden zijn verhoord! Voor hem staat z'n hermafroditische schoonheid in levende lijve, en in plaats van saai schrijfwerk, gaan ze samen naar het strand, zoals je kunt zien op de vierde foto links, althans zo stelt je blogschrijver het zich voor, en wordt Gino al snel zijn model. Wellicht zelfs iets meer...   

* Excuses, ik was even in gedachten verzonken!

En voor wie komt met de opmerking maar dat kan Gino toch onmogelijk zijn... plaats ik hier rechts als tweede het origineel; het verbleekte lantaarnplaatje uit 1907... De eerste opname is van Elisàr, die zich ook naar het schijnt niet onbetuigd liet...

Dit historisch fotomateriaal, ik noemde het in al in het begin, komt uit de nalatenschap van Harold Szeemann, de bouwer van exposities aan wie we het te danken hebben dat toch nog vrij veel van Elisàr's en Eduard's artistieke erfenis is bewaard. Hoe die 14 foto's in zijn bezit kwamen... geen mens die het weet. Maar laten we blij zijn, en in een volgend blog over 'onze Elisàr' bij voldoende belangstelling hierover uiteraard meer!

Die laatste foto 'Drei Seelen,' (er zijn er in dit genre meerdere, maar dat komt nog wel...) heb ik speciaal voor dit blog bijgesloten, daar ik het ten opzichte van de voorgeschiedenis met die twee stijve kerels bij de start van mijn betoog een zo opmerkelijke vind! Immers, was Eduard hem tot nu toe geestelijk en literair verre de baas, nu is het duidelijk Elisàr die artistiek de lakens uit deelt. Gino's matrozenpakje achteloos rechts op de voorgrond, die twee naakte jongens met hun truttige kousenophouders, die pauwenogen; symboliserend voor schoonheid en trots, Elisàr die de gordijnen juist sluit, en de óh zo degelijke Eduard... nog zedig als enig geklede, voorover over de tafel gevouwen met zijn billen omhoog...

Wat staat er te gebeuren als die overgordijnen dicht zijn, de gluurders buitengesloten? Voor wie het wil zien staat het bol van het zinnelijke, het homo-erotische, en samen met de titel 'Drie Zielen,' waaraan weinig anders valt af te lezen dan een al dan niet Bijbelse 'Drie Eenheid,' vraag ik me vertwijfeld af of Elisàr ons dan getuige wil laten zijn van een ménage à trois, die zodra de voorhang zich sluit opvlamt in een heftige vrijage... 

En de tegensputterende blogvolger die komt met 'het zou toch net zo goed iets sacraals kunnen zijn?' zou ik voor willen houden: 'Ja, geen gek idee, maar waarom Elisàr en Gino dan naakt, en Eduard gekleed voorover gevouwen over de tafel?' En wie komt aandragen met: 'Soms spottend bedoeld...?' Past dat dan wel bij de degelijkheid die ze, zover we de heren nu althans denken te kennen, uit zitten te stralen?

Inwijdingsriten dan misschien, die bij het Clarisme behoorden, hun nieuwe geloof? Eduard, die ik er sterk van verdenk voor de 'antieke Griekse inbreng' verantwoordelijk te zijn, zal gezien zijn studie zeker op de hoogte zijn geweest van riten bij de 'Vroeg-Christelijken,' gebaseerd op Mysterieculten rond Osiris-Dyonisus...

En uit de ''Letter to Theodore,'' waarin kerkvorst Clemens van Alexandrië (ca. 150 - 215 n.Chr.) spreekt over het Geheime Evangelie van Marcus, zou zelfs begrepen kunnen worden dat Jezus 's nachts in een tombe naakt aan een eveneens naakte jongeman het 'Geheim van het Koninkrijk Gods' onderwees. Onder christelijke Amerikanen, die eruit interpreteerden dat 'hun Jezus' hier dus werd neergezet als homoseksueel, veroorzaakte het een tot op de dag van vandaag nog voortdurende rel, en het zou wonderwel passen in het plaatje dat ik hier voor mijn volgers over 'Mijn boys uit Munisio' aan het schilderen ben. Alleen werd die bewuste brief pas in 1958 ontdekt door professor Morton Smith in het Mar Saba-klooster op de Westelijke Jordaanoever, en stamt Elisàr's schilderij 'Drei Seelen' helaas uit de periode 1907/1910... 

Vragen, vragen, vragen... Degene, die er een geloofwaardig antwoord op weet te verzinnen: hij of zij meldt zich! Voor een qua logica acceptabele oplossing staat een fatsoenlijke fles wijn (wit/rood) zeker klaar en voor Blauwe knoop adepten onder mijn volgers een doos Van Dungen Rumbonen (als die nog bestaan...) !          


Ofschoon je blogschrijver het ultieme moment om in het Bundes Archiv Berlin te gaan neuzen had gepland aan het eind van dit kleurrijke betoog, is er naar zijn bescheiden mening voor deze ene aflevering in die zo korte tijd al meer dan genoeg emotie langs gevloeid, en houden mijn volgers dat voor een komend Elisar's blog nog maar fijn even tegoed. 

Dank voor de belangstelling & tot bij het volgende blog (of eventuele reactie...)!