Van Code Pénal, § 175 en meer... Deel III 

Blog over de 19e-eeuwse zedelijkheidswetgeving  

Gepubliceerd op donderdag 1 oktober 2026


Waren we met deel II van dit blog gekomen tot de stand van zaken in ons land rond 1880, het Duitstalige gebied hadden we na het Congres van Wenen al verlaten. Hoogtijd dus om daar de draad op te pakken, want zoals nog hierna zal blijken was het juist de ontwikkeling van de zedelijkheidswetgeving bij onze oosterburen, die nog vrij laat een ongekend extra domper zou zetten op diezelfde wetgeving in ons eigen puriteinse domineesland. 

Dit laatste dan vooral door het zeer trage politieke ontstaansproces van het Duitsland zoals wij dat nu kennen. Traag daar de meer nationaal denkende krachten, die van het Congres van Wenen eenheid hadden verwacht, het onderspit dolven tegen de pakweg veertig door Napoleon tijdelijk aan de kant geschoven despotische monarchen die door het vertrek van Bonaparte handenwrijvend aasden op herstel van hun alleenheerschappij.

Traag ook, daar grotere Deutscher Bund landen als het conservatieve Oostenrijk en Pruisen weliswaar trachtten de (als gevolg van Napoleons Code Pénal) meer liberale kleinere hun wil op te dringen, maar dat het toch tot 1871 moest duren alvorens Otto von Bismarck als kabinetschef van de Pruisische koning Wilhelm I er (na wat nu in het algemeen als een reeks korte sluw-tactische oorlogen wordt omschreven, maar naar ruwe schatting toch minimaal zo'n honderdtwintigduizend jongemannen het leven moest kosten) in slaagde die door hem gezochte eenheid te smeden.  

Op de 18e januari 1871 werd in de Spiegelzaal van het Paleis van Versailles koning Wilhelm I van Pruisen tot keizer van het eerste keizerrijk Duitsland gekroond. Dit uitgerekend in Versailles, om de gevangen genomen koning Napoleon III van Frankrijk, die het had gewaagd te verkondigen geen Hohenzollern aan zijn grenzen te accepteren en het zo machtsbeluste Pruisen daarom de oorlog verklaard, met zijn na nog geen drie maanden hevige strijd in de pan gehakt leger een lesje in nederigheid te leren...   

Met deze eenwording werd het nieuwe Duitsland in feite een door het nog oer-conservatieve Pruisen gedomineerde bondsstaat met als gevolg dat paragraaf 143 uit het Pruisische wetboek de basis zou gaan vormen voor de beruchte paragraaf 175 uit het Duitse wetboek van strafrecht in de titel van dit blog. Voor rijkjes die voor de eenwording variaties op de Code Pénal hanteerden werd dat voor 'herenliefde adepten' een schokkende stap achteruit...      

1: De kroning tot keizer van Duitsland in 1871 2: rechts Bismarck en links Napoleon III  

Maar blogvolger, zoals er in ons land een min of meer wetgevend vacuüm ontstond (zie blog II over dit item), zo was dat voor 1871 dus ook bij onze oosterburen. Laten we er daarom maar eens een kijkje gaan nemen!   


Vlnr: Heinrich Kaan, Johann Ludwig Casper en Karl Westphal  

Waren er in ons land in diverse publicaties en krantenarchieven sporen bij de vleet terug te vinden rond de voortzetting van de vervolging van sodomieten na Napoleons kortstondige keizerrijk, roddels over fanatici als Provo Kruit, die geen middel onbeproefd liet om die zo rap ontluikende herenliefde in twee jaar spinhuis te smoren, in de Duitstalige archieven vond ik er rond diezelfde periode nauwelijks melding van.

Dat het er over de oostgrens echter ook wel degelijk was, daarvan getuigen de nagelaten werken van verscheidene psychiaters, die in tegenstelling tot bij ons, juist in de Deutscher Bund landen al veel eerder van zich lieten horen. 

Wie daar een reden voor zoekt: het aantal inwoners van de DB landen samen bedroeg in 1815 dertien- en het grondoppervlak negentien maal zoveel als die van ons Koninkrijk. Daarnaast is het wellicht een aardig 'weetje' dat in het midden van de 19e eeuw op alle mogelijke terreinen der geneeskunst Berlijn, Wenen en Leipzig het hoog aangeschreven Parijs overvleugelden,  dit zelfs zodanig dat meer dan 40% van de Amerikaanse artsen uit de 2e helft der 19e eeuw in Duitsland gingen studeren.             

Belangrijk? Je blogschrijver denkt het wel, en zeker ook iets om voor de samenhang van het grote geheel, voor het plaatje dat zich in volgende blogs nog gaat ontvouwen, in onze oren te knopen! Want met die vanaf het midden der 19e eeuw zo explosief stijgende onderzoeksresultaten op de Duitse universiteiten, steeg de status van de geleerde mee! Herr Doktor wisselde van stoffige kamergeleerde tot de autoriteit die door rechtbanken om zijn mening over 'de casus' werd gevraagd. Een oordeel dat steeds vaker mee werd gewogen...     

Met zijn in 1844 verschenen Psychopathia Sexualis was Heinrich Kaan zeker niet de eerste die over seksuele afwijkingen publiceerde, maar wel zette hij door zijn wetenschappelijke benadering, waarmee hij het vastberaden van de 'christelijke zonden' loskoppelde en het bij geestesziekten indeelde, de toon.

Het loste het acceptatieprobleem van afwijkend seksueel gedrag wel niet op, maar gaf na hem komende artsen en psychiaters, die zijn ideeën al vrij snel omarmden, wel armen en benen om er met een voor het gerecht acceptabele verklaring op door te kunnen borduren.

Johann Ludwig Casper komt als gerechtsarts de eer toe te de eerste te zijn die onomwonden stelt dat de 'zonde' van de tot dan als sodomiet of päderast betitelde wetsovertreder aangeboren was:        

"Op basis van alle ervaringen kan dus als vaststaand worden beschouwd dat de paderast in veel, misschien wel in de meeste gevallen, wordt gedreven door een wonderlijke, duistere en onverklaarbare aangeboren drang om zich uitsluitend aangetrokken te voelen tot personen van zijn eigen geslacht en zich met dezelfde walging van vrouwen afkeert als de niet zo ongelukkig geboren man van mannen, zodat hierin, om het zo maar te zeggen, een excuus voor zijn zonden gezocht moet worden. Dat dit zo is, weet elke ware expert, en ik zie het jaar na jaar bevestigd in mijn herhaalde officiële waarnemingen...”

zoals hij noteerde in zijn: 'Klinische Novellen zur gerichtlichen Medicin: nach eigenen Erfahrungen' (Berlin: Hirschwald, 1863 pag. 34)

1: Titelbl H. Kaan's  Psychopathia Sexualis 2, 3: Titelbldn Johann Casper, 4: pag. 34, op 5e regel van boven de wereld premiere van Johann Caspers: 'Eingebornen Drang...' 

1: Karl Westphal 2: Eerste blad van zijn publicatie over het 'tegennatuurlijk seksuele gevoel' 

Wie hier ook zeker een eervolle plaats verdient is Karl Westphal, die haaks op de opvattingen van zijn tijd zich rond 1840 al als assistent-arts op de psychiatrische afdeling van het Berlijnse Charité stoorde aan de zeer slechte behandeling van de patiënten en in 1869 als neuropsychiater in zijn publicaties, zij die zich tot het zelfde geslacht aangetrokken voelden zou gaan rangschikken als zijnde behept met Die conträre Sexualempfindung: 'Het tegennatuurlijk seksueel gevoel.'

Westphal noteerde, dat als karakteristiek bij mensen met en zodanige natuur bij mannen vrouwelijke en bij vrouwen mannelijke tekenen aan de dag traden, waar heel vaak psychische stoornissen uit ontstonden. Hij pleitte ervoor het niet meer als een gebrek aan moraal te bestempelen, maar bij de medische wetenschap onder te brengen. 

Zijn ontwikkeling van arts-assistent tot hoogleraar in de psychiatrie & neurologie en leider van de geestesziektenkliniek van het Charité, maakten hem tot de grote autoriteit waar bij zedenzaken door de verdediging om werd gevraagd, al werd zoals we zo nog zullen zien slecht naar hem geluisterd. Die al tientallen eeuwen gewortelde obsessie om gevoelens voor hetzelfde geslacht te zien als 'door de Duivel bezeten' wiste je niet zo één twee drie uit... 

Advocaat Holthoff: De vraag of de verdachte geestelijk gezond is of niet, is niet aan de officier van justitie (..): ik zal de juryleden een deskundigenoordeel voorleggen waarop zij hun beslissing moeten baseren. (..) Professor Westphal weigerde op dit moment (..) een onvoorwaardelijk oordeel te vellen over de geestelijke toestand van de beschuldigde, (..) en noemt twee voorbeelden van onnatuurlijke verstoringen die tot geestelijke stoornissen hadden geleid en legt uit dat hij daarom zeer voorzichtig moet zijn met het uitspreken van een deskundig oordeel over absolute geestelijke gezondheid.

(..) De beschuldigde verklaarde zich nooit tot het vrouwelijk geslacht aangetrokken te hebben gevoeld; hij beschouwde zichzelf, en zei dit met de volle overtuiging van zijn geestelijke gezondheid, als behorend tot het derde geslacht. Vervolgens geeft hij zeer gedetailleerde beschrijvingen van het seksleven van deze Urnings, maar beweert hij zijn lusten nooit met kinderen te hebben bevredigd, altijd alleen met leeftijdgenoten of oudere jongemannen, en dat het nooit verder ging dan wederzijdse masturbatie. Hij verafschuwt brutaliteit; Hij voelt zich een onnatuurlijke crimineel, maar een crimineel in de criminologische zin, geen moordenaar...

Na het lezen van verschillende brieven, geschreven in uitbundige taal aan diverse mensen, waarin hij zichzelf beschuldigt van zijn onnatuurlijke neigingen, verklaart hij dat hij door de mensheid als het uitschot van de aarde wordt beschouwd, maar dat hij zijn neiging als een pathologische aandoening ziet en dat deze aandoening in de natuur gerechtvaardigd is...

1, 2: Titelblad Ulrichs 1e publicatie 3: titelblad Memnon, in Zastrov's bezit, 4, 5: Beweisfuhrung, zie de noten met de verwijzing naar Johann Casper!

Bovenstaande citaten zijn o.m. afkomstig uit de Fränkischer Kurier van 28 okt. 1869, en woordelijke verslagen van de voortzetting van een zich voortslepende Berlijnse rechtszaak tegen Carl von Zastrow, voormalig luitenant, die ervan werd beschuldigd de vijfjarige Emil Hancke te hebben willen aanranden en getracht te wurgen. Bewijs ontbrak, maar Zastrow, die schilderde, wel eens in de buurt scheen te zijn gezien én daarnaast ruiterlijk toegaf in jongere mannen geinteresseerd te zijn, was daardoor al bij voorbaat verdacht. Temeer daar in diverse kranten werd gesuggereerd dat het wel érg veel weg had van de onopgeloste moord op het bakkersknechtje Corny twee jaar ervoor... En wie geachte lezer, ja wie zou zoiets gruwelijks anders moeten hebben gedaan?

Von Zastrow (zijn advocaat trachtte hem ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren) gaf als 48 jarige trotse man zijn seksuele zwakte weliswaar toe, maar voelde zich daarin ook gesteund door de publicaties van Karl Heinrich Ulrichs, waarvan het 7e deel 'Memnon' bij een huiszoeking bij hem thuis was aangetroffen. Ongetwijfeld heb je bij het lezen van bovenstaande citaten rond het 'derde geslacht' en 'het seksleven der Urnings' je wenkbrauwen al vol onbegrip gefronst... Échter lieve beste blogvolger, hoe onbegrijpelijk voor ons nu wellicht ook, maar ten tijde van deze affaire bestond het begrip homoseksueel zoals wij dat nu bezigen nog helemaal niet... dat moest nog bedacht! Het wordt dus hoog tijd dat ik de uitvinders ervan maar eens aan je voorstel!                      

1: Karl Heinrich Urichs 2:      Karl (Károly) Maria Kertbeny 3: K.M.K.'s z.g. 'Homosexual' brief      

In het vorige tekstblokje heb je al met zijn onder Numa Numantius verschenen eerste publicatie kennisgemaakt. Zijn oudste teken van strijdbaarheid, waarop nog veel soortgelijke zouden volgen:     

"Tot aan mijn doodsdag zal ik met trots terugkijken op het feit dat ik de moed vond de strijd aan te gaan met het spookbeeld dat mij en mannen van mijn aard al sinds mensenheugenis met gif inspoot. Velen zijn tot zelfmoord gedreven omdat hun levensgeluk was aangetast. Ik ben er dan ook trots op dat ik de moed vond om de eerste klap toe te brengen aan de hydra van de publieke minachting..."

En dat het tegen het gif van 'hydra,' die veelkoppige Grieks mythische slang, slecht vechten was, zou hij na de invoering van par. 175, in het nieuwe Duitse keizerrijk, uiteindelijk nog met een vlucht naar Italië moeten bekopen.

Het was dus Urlichs die de benaming Urning creëerde voor de jongen of man die tot dan om zijn gevoelens als misdadiger werd nagewezen, je ziet hem hier links. Met naast hem als goede tweede Karl Maria Kertbeny; de nu vergeten Hongaar, die rond 1864 in correspondentie met Urlichs i.p.v. Urning het door hem bedachte Homoseksueel voorstelde. Maar Urlichs zag er geen verbetering in; téveel associatie met 'seks,' wat hij juist wilde vermijden, zodat Kertbeny's idee tot het begin van de vorige eeuw op de plank zou liggen verstoffen...

Voor dat hij zo strijdbaar van zich liet horen was Ulrichs werkzaam als jurist (later hulprechter) in het koninkrijk Hannover, waar hij het in de zomer van 1862 opnam voor een vooraanstaand politicus die, om "wat gestoei met een jongeman in de kasteeltuin" (Ulrichs omschrijving van het vergrijp) was gearresteerd. Zijn pleidooi, waarin hij de schanddaad, zich baserend op Johann Caspers eerdere publicatie (Zie voetnoot foto 5 'Beweisfuhrung' van zijn Mannmännliche Liebe, Leipzich 1864 3 tekstblokjes terug) als voortkomend uit een aangeboren drang en dus natuurlijk interpreteerde, werd niet bijzonder op prijs gesteld.

Hoewel het Allgemeines Criminal-Gesetzbuch für das Königreich Hannover van 8 augustus 1840 de herenliefde, als 'widernatürliche Unzucht' in art. 276 omschreven, niet specifiek verbood, werd tegen Ulrichs op grond van zijn vreemde ideeën en levenswandel een tuchtprocedure gestart (veroorzaken van Openbare Overlast). Hij hield de eer aan zich zelf, wachtte de uitspraak niet af, en met zijn ontslag was de eerste openlijke voorvechter voor rechten voor de 'Hannover Herenliefde Scène' een feit!    

Ulrich's 'Urning' (voor vrouwen: Urnigin, voor hetero: Dioning/Dionigin), uiteraard bedacht om het van het zo door hem vervloekte stigma Sodomiet en Pederast te ontdoen, leende hij bij Plato's 'Symposium' van de godin Urania, die in de sfeer van het klassieke Athene als Aphrodite haar hemelse liefde over de spirituele liefde tussen twee mannen liet schitteren... Zijn Dioning kwam voort uit de Aphrodite Dione; de godin die de vruchtbare liefde tussen man en vrouw symboliseerde. Het Anima Muliebris Virili Corpore Inclusa als ondertitel in zijn brochure Memnon (zie boven) verwijst naar Ulrich's conclusie van het Derde Geslacht; te weten een vrouwenziel in een mannenlijf opgesloten, wat voor zijn Urnigins uiteraard omgekeerd ook het geval was.       

En wie neuzelt: 'zég blogschrijver, gaan we hier in theorie niet een tikje érg diep?' Vergeet niet dat Bismarck die jaren de druk constant opvoert door al die Duitse lappendekenstaten en staatjes namens zijn koning Wilhelm I, het zwaarwegende voorstel op te dringen toch eindelijk eens te komen tot dat al zo lang verkondigde nieuwe Duitse Keizerrijk, maar... dit uiteraard wel naar hun eigen Pruisisch model! Ulrichs, die Bismarck haat, voelt dit haarfijn aan, trekt werkelijk alle laatjes die hem ter beschikking staan open om maar te voorkomen dat die vervloekte Pruisische paragraaf 143 in het rijk dat nog geschapen moet worden de overhand krijgt... 

29 augustus 1867 komt hij publiekelijk uit de kast (zijn familie weet het dan al vijf jaar) op het Congres van Duitse Juristen (München), waar hij in een grootse rede de rechten van zijn Urnings verdedigt en pleit voor afschaffing van strafwetgeving ertegen. Hij wordt met geschreeuw onderbroken, er volgt een schandaal, hoon in de pers is zijn deel.  

Én hij schrijft, én hij schrijft.. Tussen talloze arrestaties door volgt er in 1870 'Araxes,' dat qua toon zelfs nu nog herkenbaar fris klinkt:   

“Seksuele geaardheid is (..) door de natuur bepaald. Wetgevers hebben niet het recht om levende wezens te vervolgen die onderworpen zijn aan driften die de natuur hun heeft meegegeven (..) enkel en alleen uit zucht naar vervolging (..) Wetgevers moeten de hoop opgeven (..) de Uranische seksuele drift uit te roeien (..) Zelfs de machtigste regering is te zwak tegenover de kracht der natuur.”

Spotprenten rond Bismarck, die de IJzeren Kanselier werd genoemd. Prent 3: Bismarck genoeglijk met Wilhelm I

1: Wetboek Koninkrijk Pruisen 2 & 3: de paragrafen 143/145

En de tijd dringt... Kibbelend over wie van de supermachten binnen Der Deutsche Bund (het roomse Oostenrijk of het protestante Pruisen) de supervisie zou krijgen, is de bond in 1866 na (hoe kon het anders?) de Pruisisch Oostenrijkse oorlog bij de Vrede van Praag uiteengevallen in Der Norddeutscher Bund (federatie v. 22 staten) met koning Wilhelm I van Pruisen als voorzitter en Bismarck als Bundeskanzler, en de z.g. 'Zuid-Duitse staten' Beieren, Württemberg en Baden, die op hun beurt na het verslaan van Napoleon III (zie begin dit blog) eieren voor hun geld kiezen en zich toch maar aan zullen sluiten.  

In deze kolkende zee aan politieke machtsspelletjes volgt Urlichs zover hem dat maar mogelijk is de achterkamertjesdiscussie rond het ontwerp voor het nieuwe wetboek van strafrecht van de Noord-Duitse Confederatie. Officieel had Pruisen wel toegezegd dat "hardheden m.b.t. widernatürlichen Unzucht (sodomie - herenliefde), die in het Pruisische strafwetboek bekritiseerd waren zouden worden geschrapt,' maar na zijn arrestatie door datzelfde Pruisen was zijn vertrouwen op een goede afloop geknakt, dit ondanks dat Dr. Adolphe Leonardt als de nieuwe Pruisische minister van Justitie, eerder minister van Justitie in Ulrichs 'eigen Hannover' was geweest...

Tussen september 1868 en november 1869 schrijft Ulrichs meerdere malen aan de "Commissie voor de Beraadslaging van het Ontwerp van het Noord-Duitse Wetboek van Strafrecht," en daarnaast ook aan genoemde de Dr. Leonardt:   

Uwe Excellentie!

"In 1852, toen ik de eer had om door u te worden geëxamineerd tijdens het tweede staatsexamen, toonde Uwe Excellentie mij enige welwillendheid. Zou u mij vandaag, bij een serieuze en werkelijk waardige gelegenheid, dezelfde welwillendheid willen betonen, namelijk bij een verzoekschrift dat ik officieel indien bij het Koninklijk Ministerie van Justitie betreffende de gratieverlening aan veroordeelde kameraden van mijn natuur? Naar aanleiding van de recente beslissing van de Federale Commissie, die in het voordeel van de toekomst lijkt te zijn, mag ik misschien hoop koesteren voor deze ongelukkige mensen. 

Uwe Excellentie! Als uw voorganger de twijfelachtige eer heeft gehad de vervolging van de aangeboren natuur naar Hannover te hebben overgeplant door de Pruisische strafwet in te voeren waar zij niet bestond: zo verwerft u de grotere verdienste dat u de poorten van de kerkers heeft geopend voor hen die vanwege hun aard vervolgd worden! Moge de tranen van dankbaarheid van hen die in vrijheid zijn hersteld, op u schijnen. Maar vergeef me dit verzoek, want sinds ik de overheidsdienst heb verlaten, heb ik er mijn levenswerk van gemaakt om op te komen voor degenen die vervolgd werden."

Met respect, K. Ulrichs, gepensioneerd assessor, district II, Martinsstr. 2

1: Dr. Adolph Wilhelm Leonardt  2: Heinrich von Mühler

1 Titelbl Strafwetboek keizerrijk Duitsland 1871 2. Paragraaf 175

Adolph Leonardt, die in de periode 1870/71 een sleutelrol zou gaan spelen in de overgangsfase van de 'Pruisische c.q. Noord-Duitse Bondswetgeving,' naar het 'Duitse Keizerrijk in ontwikkeling,' gaf (en zo ziet hij er boven ook uit!) echter geen krimp. En Ulrichs geëmotioneerde laatste poging hem per brief te vermurwen eindigt bijzonder hartroerend:

Uwe Excellentie, beschouw mij alstublieft als woordvoerder voor de duizenden van uw medemensen die opnieuw als criminelen worden bestempeld en gemarteld zonder voldoende wettelijke grondslag. In naam van gerechtigheid en in naam van de menselijkheid smeek ik u om te luisteren!

Op 24 maart 1869 komt een medische delegatie nog met een advies:

"(..) hoewel het onderliggende beginsel van de geldende wetgeving is dat "hoererij" tussen mannen een zodanige degeneratie en aantasting van de menselijkheid vertoont en zo gevaarlijk is voor de moraal, dat het niet ongestraft kan blijven, kunnen zij geen redenen  aanvoeren waarom, terwijl andere vormen van ontucht onbestraft blijven in het strafrecht, ontucht met dieren of tussen mannen wel strafbaar zou moeten zijn..."

Leonardt speelt de betreffende commissierapportage door aan de minister van Cultuur, kerkelijke zaken, onderwijs en geneeskunde, Heinrich von Mühler, die op 17 april als volgt reageert:

"Ik acht de rechtvaardiging voor de strafbepaling in de toelichting op § 143 van het Wetboek van Strafrecht van 14 april 1851 gegrond, dit zelfs in het licht van het rapport van de wetenschappelijke delegatie.''

En zo schoof ondanks alle druk uit meer liberale kringen de gehate oude Pruisische par. 143 ongewijzigd als par. 175 het nieuwe wetboek van strafrecht voor het Duitse keizerrijk in oprichting in. Een zelfs voor waarnemers uit die tijd onbegrijpelijke gang van zaken, want wáárom had minister van Justitie Dr. Leonardt dan überhaupt om een stemming van de Medische Deputatie verzocht? 

Ulrichs vermeldt een brief van een hoogleraar, d.d. 17 maart 1870: "Als de paragraaf gehandhaafd blijft, lijkt de doorslaggevende reden voor bepaalde invloedrijke personen, hoewel niet expliciet vermeld, volgens mij deze: zij willen een concessie doen aan kerkelijk-orthodoxe tradities." Ulrichs zag in die invloedrijke groepering echter slechts de hand van één en dezelfde persoon, namelijk van Adelheid, minister Von Mühler's eigen vrouw! 

Volgens gegronde roddels uit die tijd zat Heinrich (hij stierf in 1874 en kijkt op die oude foto boven ook niet al te levenslustig...) "volledig onder de plak van zijn óh zo preutse echtgenote, die ook verantwoordelijk was voor het besluit van de museumdirectie om de 'Ariadne auf Naxos' vanwege de naaktheid ervan uit het zicht van het publiek te verwijderen en in de kelder op te doen slaan..." 

NB: Gezien de context handelt het hier om een schilderij, maar naam van schilder en van museum blijven helaas in nevelen gehuld. 


Tja lieve blogvolger, we zijn al met al zo rond 1880 beland, het jaar dat we bij de Nederlandse kant van dit blog-item ook een pauze ingelast hebben, en dat doen we dus aan de Duitse kant ook. Uiteraard zit je vol met vragen - dit blog creërende, althans je blogschrijver in ieder geval wel - want daar er in een vrij compact aantal jaren zoveel gelijktijdig gebeurde, is om het voor mijn volgers begrijpelijk te houden door mij niet alleen met luchtige hinkstapsprongen door de geschiedenis heen, maar zo hier en daar ook over 'geschiedenissen' heen gestapt... 

Er volgt dus nog een Post Scriptum, maar... het moment om tijdelijk afscheid te nemen is hier! Zelf heb ik er schrijvend veel plezier aan beleefd en hopend dat dit aan de kant van mijn lezers ook zo wordt ervaren, zeg ik tabee; graag tot weerziens bij de lancering van het komende blog 12! 

Ps. Mocht je in jouw vriendenkring iemand kennen die deze blogreeks wellicht ook lezenswaardig zou vinden... Ik zou zeggen: schroom niet het eens onder de aandacht te brengen, ik schrijf namelijk niet zo zeer ter vermaak van mijzelf (mocht je dit wellicht denken...), maar ter verstrooiing van mijn lezerspubliek!    


Post Scriptum I

En natuurlijk denk ja na dit blog tot je te hebben genomen: Hoe zou het zijn afgelopen met die aangeklaagde Carl von Zastrov... Wel, in de eerste plaats mag dan niet onvermeld blijven dat midden in zijn vijfdaagse proces onze tot het bittere eind toe strijdvaardige Ulrichs met zijn uitgave 'Argonauticus' komt, waarin hij de vloer aanveegt met de onpartijdigheid van de 'Gezworenen,' want de heibel in de verslag doende pers is dan tot aan waanzin grenzend gestegen, en onder het over de Berlijnse boulevards flanerend publiek zijn gekscherende plagerijen als 'Zeg, ben jij al een Urning?' inmiddels bon ton... 

(..) "Om de kreten van de menigte, "Straf de Urning!", "een gevoel van rechtvaardigheid" te noemen, is (..) een eufemisme. 240 jaar geleden riep men: "Verbrand de tovenaar!" (..) Zou je dat ook gevoel van rechtvaardigheid kunnen noemen? In Londen werden legaten ingesteld voor levering van brandhout voor "ketters te verbranden", omdat ketterij destijds, naar het "gevoel van rechtvaardigheid" van het volk, strafbaar werd geacht. De wetgever mag zich niet schikken naar een dergelijk gevoel van rechtvaardigheid. Alleen waar het zuiver is, mag hij gehoor geven aan de stem van het volk (..)

In ons geval zou hij inbreuk maken op de rechten van de natuur, de burgerrechten van duizenden en het hoogste beginsel van rechtvaardigheid: gelijkheid voor de wet. Echte wettelijke basis voor straf wordt openlijk toegegeven: die bestaat niet. Dit tekort moet nu worden verholpen door urnische amoureuze praktijken strafbaar te stellen. Wat een gevaarlijke onderneming! (..) Het bestraffen van verzonnen misdaden om het volk te behagen is niets minder dan het plegen van legale moorden om het volk te behagen.

We hebben ministers van justitie, geen ministers van volkspassies! Daarom protesteer ik tegen wetgeving gebaseerd op volkspassies. Zou het niet schandalig zijn om 12.000 burgers met één pennenstreek tot criminelen te verklaren, zonder enige wettelijke grondslag, simpelweg omdat ze de natuurwet volgen? Het ware liberalisme eist vrijheid niet alleen voor het volk, maar ook voor onderdrukte minderheden die naar vrijheid streven: zelfs wanneer het volk zelf de despoot is."

"Alleen mannelijke fysieke schoonheid kan een aantrekkingskracht uitoefenen op de Urning. Dit is een (..) natuurwet, die (..) zelfs de brandstapels van voorbije eeuwen niet konden ontmantelen. Waar haalt de staat dan het recht vandaan om strafmaatregelen te nemen wanneer de Urning bezwijkt voor de charmes van een jongeman? Wanneer hij de aantrekkingskracht van de natuur volgt (..), wanneer hij zich, op een afgelegen plek, zonder de openbare zedelijkheid te schenden, laat meeslepen door strelingen, aanrakingen en het genieten van aardse gelukzaligheid, wat ook een natuurwet, een natuurlijk doel en een natuurlijke behoefte voor hem is? Is het zijn schuld dat het lichaam van een jongeman het meest magnifieke werk van de hele schepping is? Bezit niet ieder mens, bezit niet ieder levend wezen om ons heen, een drang naar liefde?

En is de drang naar liefde niet een van de meest intense van alle drijfveren? Denkt u dat de natuur niet ook haar rechtmatige deel van de Urning opeist? Wie geeft u het recht om juist hém een ​​absolute en levenslange strijd tegen de natuur te eisen? Hem een ​​gelofte op te leggen? Een gelofte die hij nooit heeft afgelegd! Hem die op te dringen met onnatuurlijke dwang en rauwe terreur, onder dreiging en uitvoering van strafrechtelijke straffen en openbare schande? Is dit uw moraal? Is dit uw gevoel voor rechtvaardigheid? Is dit uw liberalisme? Ik protesteer tegen deze vervolging van de natuur! Ik beveel dat ze stopt in naam van moraal, rechtvaardigheid en vrijheid! En u, Oostenrijk: Schaam u als u de natuur niet eindelijk, als u dat niet snel doet, haar vrijheid teruggeeft!

Ik vaar over de zee, een Argonaut, naar verre, wonderlijke kusten, waar mijn gouden vlies glinstert onder palmen en mirtebomen. Waarom aarzelt u, mijn Argo? Zet koers, zeker van uw doel. Ik verlang ernaar het land van verlossing te zien, het land van mijn verlangen, mijn Colchis te grijpen in het woud van gerechtigheid, het gouden vlies van vrijheid..."

Würzburg, 27 september 1869, Karl Heinrich Ulrichs, Gepensioneerd Rijks- en Koninklijk Hannoveraans Assessor

Helpen doet het echter allerminst, op 29 oktober 1869 geeft de jury als haar oordeel: "niet schuldig aan poging tot moord, maar schuldig aan onnatuurlijke seksuele relaties met de vijfjarige jongen Hancke, aan seksueel misbruik en aan toebrengen van zwaar lichamelijk letsel". Gezien de extreme brutaliteit en het gevaar voor de openbare veiligheid, eist de officier van justitie de maximale straf: 20 jaar gevangenisstraf.

De verdachte (in opperste kalmte): Ik zwijg nu volledig; ik zal niets zeggen...

Namens de rechtbank spreekt de voorzittende rechter Delius het vonnis uit, dit op basis van slechts twijfelachtig indirect bewijs: vijftien jaar gevangenisstraf. Ondanks Ulrichs' goede bedoelingen en inzet lijkt de bereidheid tot een veroordeling te komen achteraf gezien te zijn vergemakkelijkt door Zastrows publieke verklaring dat hij lid was van de Urning-gemeenschap. Deze verklaring, werd behalve door het sensatiebeluste publiek en de pers, ook 'op meer verstandig niveau' als een hemeltergend schandelijke provocatie gezien. Tel daar de zeker voor die tijd zeldzame openhartigheid in Ulrichs' omschrijvingen van 'hoe urnings plachten te bezwijken voor de erotische aantrekkelijkheid van jongemannen' bij op (zie het Argonauticus citaat boven) in een brochure die op de dag van verschijnen al vrijwel direct uitverkocht was, en het is helder dat de tijdgeest nog niet rijp was voor Ulrichs zijn met herenliefde doordrenkte 'Urnische' beschouwingen. In de zaak 'Zastrow' was het triest maar waar, eerder de volkswoede dan het recht dat zegen vierde.  

Ruim zeven jaar na de uitspraak overlijdt de dan 55 jarige Zastrow in de gevangenis aan waterzucht... Ulrichs is in de jaren erna druk met het voltooien van het 12e en laatste deel voor zijn 'Forschungen über das Räthsel der mannmännlichen Liebe,' dat in 1879 verschijnt. Het jaar erop verhuist hij naar Napels en later naar L'Aquila in de regio Abruzzo, waar hij van 1889 tot 1895 het Latijnse tijdschrift 'Alaudae' redigeert. Dat de invoering van par. 175 tot zijn vertrek uit Duitsland zal hebben geleid, hoeft hier denkelijk geen verder betoog.    

Hij overlijdt er op 69 jarige leeftijd, zijn grafsteen vermeldt 'Exsul et pauper' (Balling en arme), maar dat laatste was waarschijnlijk niet van enig gevoel voor drama ontbloot; Ulrichs verbleef in L’Aquila namelijk als gast van de markies Niccolò Persichetti, een lokale grootgrondeigenaar, die ook de grafrede uitsprak:

"Maar met uw heengaan, O Karl Heinrich Ulrichs, zullen de roem van uw werken en uw deugdzaamheid niet verdwijnen... integendeel: zolang op deze aarde intelligentie, deugd, geleerdheid, inzicht, poëzie en wetenschap worden gecultiveerd en de zwakheid van ons lichaam overleven, zolang de nobele uitmuntendheid van genie en kennis worden beloond, zullen wij en degenen die na ons komen tranen vergieten en bloemen strooien op uw geëerde graf..."

Post Scriptum II

Karl Heinrich Ulrichs' partner in crime (het is in het begin van dit blog al aangestipt maar wat ondergesneeuwd), de bedenker van het begrip 'homosexual' als alternatief voor urning, was de Hongaars-Oostenrijkse schrijver, journalist en vertaler Karl Maria Kertbeny, die hoewel hij zich in zijn publicaties expliciet als Normalsexualer aan zijn lezers voorstelde, gezien de inhoud van zijn dagboeken wel degelijk tot de categorie 'herenliefde adepten' gerekend mag worden. Kertbeny onderkende in diverse publicaties behalve 'homosexuale' en 'heterosexuale,' ook 'monosexuale' (onanisten) en 'amphisexuale' (biseksuelen), omschrijvingen, die zeker in de 19e eeuw geen navolging vonden. Zowel bij onze oosterburen als in ons eigen land, zal vanaf het vierde kwartaal der 19e eeuw tot aan WO I, de term urning in het officiële circuit de gangbare omschrijving gaan worden.   

Post Scriptum III

In dit blog presenteer ik professor Karl Westphal vóór Karl Heinrich Urlichs, met als voor mij logisch gevolg dat KHU met zijn 'urning theorieën' in het Westphal tekstblokje niet ter sprake komt. Daar Westphal getuige zijn diverse publicaties echter als een sterk door Urlichs beïnvloedde wetenschapper bekend staat trek ik dit hier met liefde weer recht! Nb: wat mij bij het zien van beide langsglijdende hoofden op dit blog trouwens telkens opvalt, is hun open blik. Wellicht zegt het niets - het maken van foto's vergde in die periode lange belichtingstijden met uitgestreken gezichten als gevolg, heb ik op een van mijn vorige blogs ooit eens geschreven... Maar lieve blogvolger, vergelijk die twee hoofden eens met die van Dr. Adolphe Leonardt en minister Heinrich von Mühler, hierboven, en zie wat ik denk te zien: Op z'n minst een groot gemis aan levensvreugde?       

Post Scriptum IV

Heb ik als blogschrijver zelf een mening over het al dan niet schuldig zijn van Carl von Zastrow? Wel, diep in mijn hart denk ik aan 'onschuldig veroordeeld,' maar daar alles wat wij over hem weten slechts afkomstig is uit wat er over het proces in de kranten verscheen, voelt dat een tikje wankel. Echter met de nodige slagen om de arm, vroeg ik mijzelf al lezende van veel en veel meer verslagen, dan hier in dit blog aan bod kwamen het volgende af: Zastrow viel op frisse jongemannen, zoals hijzelf ruiterlijk toegaf, wát moest hij dan met een vijfjarig jongetje?

Het aantrekkelijke van vrijerij met zo'n frisse jongeman is nu juist die erotische prikkeling van die twee naar elkaar hongerende lijven... dat kon hij toch godsonmogelijk verwachten van een kleuter? Indien hij al met oog op een avontuurtje naar een bereidwillige jongeman uit had gekeken, dan toch op z'n minst naar een puberende knaap, die zelf al de pril zinderende erotiek in zijn eigen lijf had ervaren...?      

Voor mij komt Zastrow naar voren als een wellicht wat introverte maar trotse man, trots door de recente vondst dat hij na kennismaking met Urlichs' publicatie 'Memnon' meer dan ooit besefte lang niet de enige te zijn met dergelijke gevoelens, trots dat hij dus blijkbaar bij een echte 'groepering' hoorde, bij 'het derde geslacht,' en zo reageerde hij ook. Het is het onbegrip van de hiervan niets willen wetende buitenwereld, waardoor al wat ze niet kenden op een en dezelfde hoop werd geveegd. Het is het onbegrip van de in christelijke traditie groot gebrachte wereld rondom hem, waardoor hij gemakshalve maar het predicaat lustmoordenaar opspeld kreeg.      

W.F. Apeldoorn, 1 oktober 2026