ROMANTIEK II; sfeerbeeld van een tijdsgewricht...
Een blog over een stijlperiode die een wel zeer aanwezig stempel drukte
op de Belle Epoque en het interbellum.
Gepubliceerd op woensdag 13 mei 2026
Tja, Vroegromantiek... Was dat met Goethe in mijn vorige blog geen Sturm und Drang, zoals mijn goede vriend Frederik Jan me snedig onder de neus wreef? Héél goed FJ! je hebt zeker en punt. Maar Sturm und Drang, alleen de naam zegt het al, was bovenal Duits, daarnaast literair, terwijl om het voor iedereen overzichtelijk te houden dat begrip 'De Romantiek' naar mijn idee juist zo mooi universeel de lading dekt...
Want als we gaan scherpslijpen zou een opmerking als: 'zég, hoort de schilder John William Waterhouse, met zijn The Lady of Shalott op het vorige blog, dan niet thuis bij die zo Engelse Prerafaëlieten?' hier ook met jázeker worden beantwoord! Mijn bedoeling met dit zijspoor naar De Romantiek als 19e-eeuwse kunststroming is echter om voor mijn volgers een wereld te scheppen, een kijkdoos als het ware, waarin ze al die herenliefdefiguren die op mijn blog nog de revue gaan passeren als bordkartonnen zetstukken in zo'n antiek speelgoedtheater naast een plek ook een rol kunnen geven. Waardoor 'mijn heren,' zo zie ik het voor me, gaan leven en hun vaak voor ons zo vreemd afwijkend gedrag juist op meer begrip rekenen kan!
Zodat helder wordt dat wat zo typerend is voor De Romantiek als kunststroming, op mijn vorige blog omschreef ik het al: 'de werkelijkheid tot in het perverse accentueren, het uiten van het eigen ervaren en het smachtend verlangen naar het onbereikbare,' als matrijs zo wonderlijk precies past bij die kleurrijke, artistiek bevlogen stoet heren in de herenliefde, die op mijn Elisarion-boysblog nog aan ons oog voorbij zullen trekken.
Maar... terug naar ons thema, naar De Romantiek, naar de van het schilderslinnen afspattende emoties, waarvan ik je nog het een en ander wil tonen. En niet het complete doek deze maal, maar met je neus er vlak op, zodat zelfs jij er niet meer omheen kunt!
En voor de afwisseling deze keer 'ns geen Géricault’s Le radeau de la Méduse of Turner’s The slaveship, hoewel je erop kunt klikken om ze op het web te zien. Maar iets mindere goden die het drama al even rauw toonden als voorheen als ondenkbaar werd gezien, en ermee net zo veel weerstand bij de gevestigde orde opriepen.
De rijkdom aan expressie en sterk aangezette contrasten, voor de schilders in de Romantiek zo kenmerkend, klonk midden dezelfde eeuw ook door in Wagner opera's als Der Fliegende Holländer en het werk van Ferdinand Leeke (rechts) past er wonderwel bij.
Die kenmerken beperkten zich niet alleen tot de schilders, ook bij de 19e-eeuwse componisten was de drang emoties te uiten sterk aanwezig, al was het daar meer het volksliedachtige waarmee aan de nationale gevoelens werd gerefereerd.
De sterk literaire verbondenheid van de 19e-eeuwse muziek, uitte zich bijvoorbeeld in het instrumentale werk van Debussy, of in de liederen van Schubert, Schumann en Brahms.
Nationaal sentiment als het ware kenmerk van de muzikale romantiek openbaarde zich daarentegen met name in Duitsland waar volksmuziek werd geprezen als spontane uiting van de Duitse geest. Terwijl de verheerlijking van de natuur in symbiose met het nationalisme bijv. hoorbaar werd in Smetana’s symfonische cyclus Ma Vlast.
Die rijkdom aan expressie en sterk aangezette contrasten, klonk behalve in de opera’s van Wagner, die ikzelf wat al te bombastisch vind, ook bijzonder herkenbaar door in 'Werther,' van Jules Massenet, wat betreft opera's uit deze periode als het grote voorbeeld van het verafgode smachten toch wel de meest geslaagde. Stukken minder heroïsch past het met zijn tedere kanten ook meer bij hoe ikzelf de romantiek juist in die Romantiek ervaar, en lieve volger, voor je komt aanzetten met dat Wagners Fliegende Holländer en Tannhäuser voor deze stroming in de kunst toch bijzonder representatief genoemd kunnen worden (waar je gelijk in hebt...) en dat ik zo wel een zeer persoonlijke stempel op het blog druk... Basta! Finito! Het is en het blijft uiteraard in eerste instantie een kwestie van smaak!
Hier rechts de Mannheimer Philharmoniker o.l.v. Boian Videnoff met de prélude uit Massenets Werther
En hoe zat het dan met die vroeg- hoog en laatromantiek in de polder?
Wel deze typisch romantische kenmerken gingen grotendeels aan ons land voorbij. Bij ons geen wanen, geen van het linnen afspattend gruwelijk menselijk lijden of angstvisioenen. De romantiek in de schilderkunst bleef in ons zo strak aangeharkte domineesland gespeend van al te heftige emoties en als er al iets van te merken was, dan waren vooral de ongerepte landschappen en stadsgezichten.
Dat sentiment en dramatiek, zo geliefd bij onze buurlanden, was de nuchtere Hollanders veel te pathetisch. Onze schilders grepen liever terug op hun zeventiende-eeuwse voorgangers; op hun collega’s uit de gouden eeuw. Het glorierijke verleden en de heldendaden van de prinsen van Oranje, werden een geliefd onderwerp voor menig theatraal historiestuk. Die sterke voorkeur voor het nationale element kwam ook tot uiting in die zo typisch Hollandse ijsgezichten van Schelfhout. Zijn idyllisch-landelijke taferelen van genoeglijk schaatsende mensen op een bevroren vaart, met zo hier of daar een molen of boerderij, toonden een andere uitvergrootte werkelijkheid: die van de idealisering van het bestaan… Dat laatste gold trouwens ook voor zijn eveneens gevierde collega Koekkoek, die als landschapsschilder bij uitstek, zijn woudreuzen van zo'n volmaakt bladerdak voorzag, dat de blaadjes bijna letterlijk waren te tellen... Het landschap werd verromantiseerd tot een sprookjes-tafereel waarin quasi onverwacht een ruisend beekje opdook en de nietigheid van de figuranten de overweldigende natuur en de grootsheid van 'onze' schepper nog eens accentueerde. De romantische schilderkunst in ons land was van een technische verfijning, en bovenal van een poëtische weergave van de landelijke natuur.
Bas-bariton Louis van der Sande op 78 toeren schellak Clausophon 3011-094
Soms was van het laatste ook wel iets terug te vinden bij een componist. Zo zou Viotta vooral om zijn oer-vaderlandse liederen als de Twee Voerlui en De Zilvervloot herinnerd worden, en was het later Röntgen die van veel onze oud-Hollandse volksliedjes bewerkte. Binnen de kunstdisciplines waren bij ons het vooral de dichters die nog het dichtst in de buurt kwamen bij hun toch meer extraverte buitenlandse collegae.
Rechts drie van Andreas Schelfhout's gezapige winter-taferelen, en drie dito landschappen van z'n collega Barend Cornelis Koekoek. De laatste vind ik persoonlijk sterker; dat gezapige doet doet hem tekort. Zijn nadruk op de grootsheid der natuur contra het nietige van de schepsels die erin rond mogen lopen, getuigt wel van zijn zo braaf christelijke inborst, maar hij weet het overweldigender te maken dan het was en dat siert hem! Dat maakt dat je 't lijntje ziet lopen naar Friedrich, de Duitse schilder in mijn vorige blog en degradeert Schelfhout tot 'de meer van hetzelfde' maker van Wintergezichtjes.
NB: ik merk onder bezoekers van mijn blogs dat ze met de functies bij de afbeeldingen niet op de hoogte zijn! Door op de kleine plaatjes eronder te klikken of de witte pijlen links en rechts, verschijnt de volgende. Terwijl het teken rechtsboven het beeldvullend uitvergroot!
Dat laatste is eigenlijk een beetje vals... Schelfhout was als verversgezel in de leer bij de decorateur van de Kon. schouwburg (Den Haag) Joannes Breckenheijmer, waar hij zijn neef Bart van Hove, die JB later zou opvolgen, en er al eerder leerling was, adviseerde: "Je mot liever huize schildere, leg je liever toe op stadsgezigtjes..." Deze anecdote toont m.i. echter ook aan dat het Schelfhout zeker niet ontbrak aan enig commercieel inzicht...
Het meest treffende voorbeeld van vaderlandse dichters uit mijn 'blogperiode' zijn denkelijk wel Nicolaas Beets, Jan Kneppelhout, Johannes Hasebroek en Bernard Gewin, die zo rond 1830 in Leiden een Romantische Club vormden, waar met veel passie werk van Lord Byron en Thomas Moore werd voorgelezen. Het eigen werk van de genoemde heren poëten uit die periode droop van de romantiek. Kneppelhout kwam met een kerkhofdroman en een bundel droevige kasteelverhalen, en in het drama Guy de Vlaming dreef een incestueuze verhouding Beets’ zijn hoofdpersoon tot waanzin. Ja, zelfs hun toch al wat oudere collega, de dichter Staring liet zich bij hóge uitzondering tot een mystiek thema verleiden:
Het Verschijnsel (fragment).
(…) En 's middernachts, wordt voor den slaper 't stormgerucht
Grafstil. Doch nu ... wat komt - staag nader! - Zucht op zucht,
Komt hartdoorsnijdend uit den zwarten muur gevaren,
Waaraan het lamplicht blaauwt. Als fluistering van blaaren,.
Door herfstwind saamgejaagd, is 't ridslen in den wand,
Hij loert er angstig heen, en eene ontvleeschde hand,
Breekt uit den steen, en wenkt, met opgestoken vinger...
Al twee bloggen samen in hinkstapsprong rondbanjerend door De Romantiek als tijdsbeeld, zal het je duidelijk zijn dat het als stroming een breed terrein in het verleden beslaat en in feite slecht is te begrenzen. Zoals vriend Frederik Jan al snaaks opmerkte gelden Sturm und Drang en vroegromantiek als rekkelijk overgangsgebied waar je al interpreterend lustig mee in de historie 'heen en weer' kunt schuiven, en voor de z.g. laatromantiek geldt in feite het zelfde! Want bijvoorbeeld de componist Richard Strauss hoort met z'n 'Vier Letzte Lieder' bepaald tot de laatromantiek, terwijl hij ze toch echt schreef in 1948... Waar leg je de grens? Horen auteurs als Jan Kremer, Jan Wolkers en Gerard Cornelis van het Reve met hun superexplosieve hartekreten er dan ook niet bij? En om 't maar eens helemaal in het extreme te trekken: wat te denken van de in 2011 aan een ware cocktail van 'sex, drugs, rock & roll, liefdesverdriet en complexen' ten onder gegane popster als Amy Winehouse? Niet zomaar wat hoor, deze dame, en een podiumkunstenares was ze zeker! En als we 'n theaterdier als Edit Piaf, overleden in 1963, en dus maar 15 jaar na Strauss' z'n Letzte Lieder, als laatromantiek willen zien, dan Winehouse toch zeker ook!
Als afsluiting van dit blog sleep ik je mee naar wat ikzelf misschien nog wel het sterkste voorbeeld vind van De Romantiek als stijlvorm, en wel naar het zojuist genoemde Guy de Vlaming, een middeleeuws drama van Nicolaas Beets uit zijn jongelingsjaren. En niet eens naar het drama zelf, hoewel ik er dadelijk voor de sfeer wel een aantal dichtregels uit zal publiceren, maar naar een beschouwing erover in De Nieuwe Taalgids uit 1907, door ene Jan Koopmans...
Wat deze tekst voor mijn gevoel zo bijzonder maakt is, dat we Beets' drama en de erbij behorende hoogromantiek zien door de bril van Koopmans die op zijn beurt zonder het zelf te beseffen nog stevig in de laatromantiek staat verankerd. Immers, de verdeling in vroeg, hoog- en laatromantiek en het feit dat het als periode liep van voor in de 19e-eeuw tot een eind in de vorige, en misschien zelfs wel tot in de onze, is kennis waaraan het Koopmans eenvoudig ontbrak.
Hij (JK) staat daarnaast ook het dichtst bij de doelgroep van mijn Elisarionblog - de artistiek en cultureel bevlogen heren in de herenliefde - en zijn omschrijving is ondanks alle breedsprakigheid van die tijd dermate raak, dat ik vind dat het voor mijn volgers gewoon een 'múst' is; verplicht voer... Dus klik hier door naar mijn Bieb, sla potjandorie De Nieuwe Taalgids open en léés!
En voor diegene die Jan Koopmans' zijn proza toch echt te zwaar op de maag ligt, zoals hierboven beloofd wat dichtregels van Nicolaas Beets:
Wie uwer zal het mij verklaren,
Wat aandrift ons het harte dringt
Om iets verschriklijks te openbaren,
Dat ieders ziel tot siddring dwingt?
Is 't wreedheid, die zich ongenadig
Met andrer angst of pijn vermaakt?
Hardvochtige eerzucht, die baldadig
Naar een triomf van tranen haakt?
Is 't eigenliefde, die zich prikkelt,
Omdat wie ramp verhaalt of leed
Zich-zelven meest belangrijk weet,
En die, in 't kleed des rouws gewikkeld,
Een huichelaarster, tot u treedt?
Is 't heerschzucht, die 't gebied wil voeren
Op zwakke zielen licht verkloekt?
Of kunstnarij, die eerbied zoekt
Door elk te schokken en te roeren?......
Neen! is 't niet, dat ons krank gemoed
Een hartstocht voor de droefheid voedt?
Een trek om 's levens ijslijkheden
In al haar treurigheid te ontleden,
Een prikkel, die behoefte werd,
- En 't zalig maakt, zich toe te geven
Aan wat geheel de ziel doet beven, -
Sinds daar voor 't menschelijke hart
Niets zoeter is dan 't mededoogen
Niets milders dan de traan voor de oogen
En geen gevoel voor 't kenvermogen
Zoo klaar en duidlijk als - de smart.
Wat hier niet onvermeld mag blijven is dat Beets - die als theoloog zou eindigen en in de wereld der vaderlandse letteren onder het pseudoniem Hildebrand grote bekendheid genoot vanwege zijn in 1839 verschenen Camera Obscura - dit schreef in zijn studentenjaren. In de periode dat hij zich om met Jan Koopmans te spreken als een spons laafde aan het proza van lord Byron en Victor Hugo. Byron was op z'n minst stevig biseksueel, en wellicht zelfs eigenlijk wel compleet in de herenliefde, als de tijdgeest ernaar was geweest. Wat betreft zijn turbulente liefdeleven volgde hem al tijdens zijn leven een ware geruchtenstroom, en het is wat dit betreft jammer dat we dominee Beets niet even kunnen bellen of appen om te vragen wat hij daar nu van vond. Of hij daar überhaupt wel van wist. Denkelijk niet, want hij kopieerde in zijn studententijd zo openlijk Byrons gedrag door "gans in het zwart, zeer bestoven en met een bitter verkreukten witten das" in Leiden rond te paraderen dat zijn vriend en medestudent Jan Molenwater het als ergerlijk in zijn dagboek noteerde. Pas bij zijn aantreden in 1840 als dominee te Heemstede nam Beets in het opstel 'De zwarte tijd,' afstand van zijn liefde voor Byron...
Lieve beste volger, wordt het langzamerhand geen tijd een eind aan dit blog te breien? Zeker, er zullen vele nog sterkere voorbeelden te geven zijn om De Romantiek als kunststroming te beschrijven; er een definitie van te geven. Maar dit is nu eenmaal de mijne, en als decor om er mijn artistiek bevlogen herenliefdefiguren uit min of meer dezelfde periode tegen te plaatsen, lijkt het mij voor het ogenblik even welletjes!
Wel wil ik over een tijdje bij voldoende belangstelling eens een volgend blog weiden aan de dynamische groei van de grote steden in diezelfde periode, de eraan gekoppelde opkomst van de arbeidersbeweging, de vrouwen- emancipatie, het algemeen kiesrecht etc. etc.
Maar fraai aansluitend bij het literaire eind van dit blog, gaat ijs en weder dienende het volgende toch echt over de reeds aan het eind van blog 4 aangekondigde gay anarchist en uitgever Adolf Brand!
Bedankt voor je aandacht; tot de volgende ontmoeting, en voel je bepaald niet geremd een reactie in de vorm van een vraag, opmerking of idee voor een volgend blog achter te laten!
PS: En mocht je er geen genoeg van kunnen krijgen, dan staat vanaf 3 juni 2026 blog 7 (klik!) voor je gereed!